Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2757

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34347
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/258
FED 1999/400 met annotatie van R.L.H. IJZERMAN
FED 1999/353
WFR 1999/699, 1
V-N 1999/24.2 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 maart 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.

1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Nadat aan belanghebbende voor het jaar 1993 aanvankelijk een aanslag in de vermogensbelasting was opgelegd naar een vermogen van ƒ 7.014.000,--, is hem ver volgens voor dat jaar in die belasting een navorderingsaanslag opgelegd naar een vermogen van ƒ 12.755.000,--, welke navorderingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 12 mei 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.