Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2739

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
33359
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA2739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:61
Algemene wet bestuursrecht 8:64
Wet op de rechterlijke organisatie 71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1999/623
BNB 1999/232
FED 1999/288
WFR 1999/562, 1
V-N 1999/35.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uit spraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 april 1997 betreffende de na te melden hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bloemendaal.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1994 wegens het genot krachtens eigendom en het feitelijke gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bloemendaal opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 750.000, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente (hierna: B en W) zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. B en W hebben een vertoogschrift ingediend. De Advocaat-Generaal Ilsink heeft op 4 november 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. Bij de beoordeling van de klachten kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat de tweede mondelinge behandeling van de zaak voor het Hof heeft plaatsgevonden voor een andere rechter dan de eerste mondelinge behandeling, nu die juistheid immers blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde briefwisseling met het Hof en door B en W in het vertoogschrift in cassatie is bevestigd. 3.2. Belanghebbendes klacht dat niet alle argumenten die bij de eerste mondelinge behandeling zijn aangevoerd, ook zijn meegewogen, faalt. Voorzover zij erop berust dat in 's Hofs uitspraak zou zijn vermeld dat belanghebbende het door B en W overgelegde taxatierapport niet zou hebben aangevochten, gaat zij uit van een verkeerde lezing van die uitspraak. Uit onderdeel 6.1 van de uitspraak, waar het Hof overweegt dat het door de inspecteur overgelegde taxatierapport door belanghebbende onvoldoende is betwist, volgt immers dat het Hof die betwisting in zijn oordeel heeft betrokken. Belanghebbende miskent voorts dat in 's Hofs uitspraak de inhoud van zijn bij de eerste mondelinge behandeling voorgedragen en overgelegde pleitnota - waarin die betwisting, naar de Hoge Raad heeft kunnen vaststellen, is vervat - als ingelast is aangemerkt. Dat bij de eerste mondelinge behandeling voor het Hof nog andere argumenten zouden zijn aangevoerd, heeft belanghebbende niet gesteld, nog daargelaten dat daarvoor in de uitspraak of de stukken van het geding geen feitelijke grondslag is te vinden. Dat laatste geldt ook voor de stelling van belanghebbende dat bij de eerste mondelinge behandeling door het Hof bepaalde verwachtingen zouden zijn gewekt, wat van die stelling overigens zij. 3.3. Voorzover de klachten zijn gericht tegen de oordelen van het Hof betreffende de door belanghebbende en de gemeente overgelegde taxatierapporten, falen zij omdat deze oordelen berusten op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en voor het overige, als niet onbegrijpelijk, in cassatie niet kunnen worden getoetst. 3.4. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 21 april 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.