Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2718

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34363
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/219
FED 1999/249
WFR 1999/430, 1
V-N 1999/19.15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 maart 1998 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aan- slag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opge- legd naar een belastbaar inkomen van f 94.504,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 89.419,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. De klacht betreffende het niet aanmerken van belanghebbende als duurzaam gescheiden levende echtgenoot kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.2. De klacht betreffende het niet toepassen van de rentevrijstelling is gegrond. Artikel 42a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) bepaalt dat de daar gegeven definitie van een eigen woning slechts geldt voor de toepassing van dat artikel. Daarmee is in overeenstemming dat bij de totstandkoming van het in 1992 geldende artikel 47a van de Wet in de Memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsontwerp is vermeld dat de daarin gebezigde woorden "geheel of ten dele" onder meer betekenen dat

"ook wanneer een woning slechts voor een deel onder de toepassing van artikel 42a valt (zoals de tot het privé-vermogen behorende woning die in gemengd gebruik is - het woon-/winkelhuis - of de woning die voor een gedeelte wordt onderverhuurd), voor de toepassing van de rentevrijstelling de gehele woning als "eigen woning" wordt aangemerkt. Ook in zulke situaties behoeft er geen splitsing te worden gemaakt in de hypotheekrente: de totale rente valt onder de uitzonderingsbepaling" (Kamerstukken 1987/88, 20 223, nr. 3, blz. 5).

Gelet op een en ander dient de rente van de schuld die is verzekerd door de hypotheek op de woning die ten dele door belanghebbende en zijn echtgenote wordt bewoond en ten dele wordt verhuurd, in haar geheel buiten aanmer- king te blijven bij de toepassing van de zogenaamde saldering. Dit brengt mee dat de door belanghebbende en zijn echtgenote genoten rente ten bedrage van f 1.220,-- geheel kan delen in de rentevrijstelling. Het belastbare inkomen moet worden vastgesteld op f 89.419,-- minus f 1.220,-- = f 88.199,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad: ·vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, alsmede de uitspraak van de inspecteur, ·vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 88.199,--, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 24 maart 1999 vastgesteld door de raadsheer Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren Fleers en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.