Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2716

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34141
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 december 1997 betreffende na te melden op de voet van artikel 30 van de Invorderingswet 1990 gegeven beschikking van de Ontvanger.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is bij beschikking van 25 augustus 1994 een bedrag van ƒ 422,-- aan invor deringsrente in rekening gebracht, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ont- vanger is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Aan belanghebbende is op zijn verzoek uitstel van betaling verleend ter zake van de aan hem voor het jaar 1989 de opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting. In verband met dit uitstel is de onderhavige invorderingsrente in rekening gebracht.

3.1.2. Belanghebbende heeft voor de heffing van in- komstenbelasting/premie volksverzekeringen over de ja- ren 1990, 1991 en 1992 aangifte gedaan van negatieve belastbare inkomens.

3.1.3. De tussen belanghebbende en de belasting- dienst gerezen verschillen van mening over de hoogte van belanghebbendes belastbare inkomen in de jaren 1989, 1990 en 1991 zijn beëindigd doordat partijen in juni 1993 een compromis hebben gesloten, waarbij is af- gesproken dat de belastingdienst niet door middel van een navorderingsaanslag terugkomt op de aanslagen over 1989 en de compensabele verliezen in de jaren 1990 en 1991 op nihil worden gesteld.

3.2. Ten aanzien van de door belanghebbende voor het Hof opgeworpen vraag of het door belanghebbende aangegeven verlies over het jaar 1992 mogelijk aanlei- ding zou kunnen zijn voor een vermindering van de invor- deringsrente, heeft het Hof geoordeeld dat belang- hebbende daaromtrent onvoldoende heeft gesteld en de stukken van het dossier daarover geen uitsluitsel geven T egen dit oordeel komt middel I op. Het middel kan reeds hierom niet tot cassatie leiden, omdat het bepaalde in artikel 28, lid 6, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 (tekst 1994) in de weg staat aan de vermindering van de invorderings- rente met betrekking tot een over enig jaar terecht opgelegde aanslag, indien die aanslag door een verlies van een later jaar wordt verminderd.

3.3. Middel II betoogt in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte een gedeelte van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten onrechte invorderingsrente in rekening is ge- bracht, buiten behandeling heeft gelaten. Bij de beoordeling van dit betoog moet vooropgesteld worden dat het Hof niet gehouden was op alle door belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk in te gaan. Het betoog kan ook overigens niet tot cassatie leiden. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het aan belanghebbendes in zijn conclusie van repliek, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 1995, nummer 30238, BNB 1996/8, aangevoerde stelling dat hij uit hoofde van het over 1990 geleden, naar 1987 en 1988 terug te wentelen verlies van de aanvang af een vordering op de belastingdienst had die groter was dan het over 1989 verschuldigde bedrag, gelet op de inhoud van het hiervóór in 3.1.3 vermelde compromis, voorbij kon gaan. Dit uitgangspunt berust op de aan het Hof voorbehouden en niet onbegrijpelijke uitlegging van bedoeld compromis, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het Hof is voorts kennelijk ervan uitgegaan dat het arrest van de Hoge Raad van 9 augustus 1996, nummer 30227, BNB 1996/317, op welk arrest belanghebbende ter zitting van het Hof een beroep heeft gedaan, te dezen geen toepassing kan vinden, omdat het geval dat in die procedure aan de orde was niet vergelijkbaar is met het onderhavige. Dit uitgangspunt geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden beoordeeld. Het middel betoogt tenslotte dat het Hof ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat belanghebbende uit hoofde van het over 1992 geleden verlies van de aanvang af een vordering op de belastingdienst had die groter was dan het over 1989 verschuldigde bedrag. Dit betoog faalt op dezelfde grond als middel I.

3.4. Middel III komt tevergeefs op tegen hetgeen het Hof in 4.4 en 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen. 's Hofs in 4.4 van zijn uitspraak vermelde oordeel dat, indien de Inspecteur aan zijn uitspraak niet een toereikende motivering zou hebben gegeven, het Hof zelf in zijn uitspraak een toereikende motivering moet opnemen, zo het de uitspraak van de Inspecteur bevestigt, is juist. 's Hofs in 4.5 van zijn uitspraak vermelde oordeel dat de door belanghebbende genoemde onzorgvuldigheden jegens hem van de zijde van de belastingdienst niet van dien aard zijn dat op grond daarvan de beschikking moet worden vernietigd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; het is ook niet onbe- grijpelijk.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 10 maart 1999 vastgesteld door de raadsheer Van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren, Van Vliet en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.