Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2704

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
33675
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA2704
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de coöperatie Coöperatieve Vereniging X, te Z, en op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 augustus 1997 betreffende de aan belanghebbende voor het boekjaar 1990/1991 opgelegde aanslag in de vennootschaps- belasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1990/1991 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 8.052.698,-- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 5.710.846,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende hebben bij vertoogschrift het cassatieberoep van de wederpartij bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. B. Emmerig en mr. dr. R.W.F. Hendriks, advocaten te 's-Hertogenbosch. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 22 oktober 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep van belanghebbende en op het beroep van de Staatssecretaris tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven.

3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is een akkerbouwcoöperatie. In 1991 heeft belanghebbende ten behoeve van haar leden een certificatenregeling opgezet, zoals vermeld in punt 1.3 van de uitspraak van het Hof. Op 13 december 1991 heeft de ledenraad van belanghebbende besloten om aan de leden certificaten toe te kennen naar verhouding van de waarde van de door hen over het boekjaar 1990/1991 aan haar geleverde producten, en uit het positieve saldo van de exploitatierekening van dat jaar een uitdeling te doen voor een bedrag gelijk aan de nominale waarde van de toegekende certificaten, zijnde ƒ 5.458.900,--, naar verhouding van de door de leden over voormeld jaar aan haar geleverde producten door voor hen aan hun stortingsverplichting op de certificaten te voldoen, welke voortvloeit uit voormeld besluit. Het gedeelte van voormeld bedrag dat toekwam aan haar leden/natuurlijke personen, zijnde ƒ 5.272.554,--, heeft belanghebbende ten laste van de fiscale winst gebracht. De Inspecteur heeft deze aftrek geweigerd.

3.2. Het Hof heeft, voorzover in cassatie van belang, geoordeeld: - dat nu het ter beschikking van de leden gestelde bedrag is verdeeld naar de maatstaf van de door hen in het boekjaar verrichte prestaties, in beginsel sprake is van een uitdeling van winst waarop artikel 9, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) ziet; - dat er gelet op de onverbrekelijke samenhang tussen de onder 1.10 van de uitspraak van het Hof vermelde besluiten van de ledenraad aanleiding is te dezen het resultaat van die besluiten in aanmerking te nemen; - dat de besluiten van de ledenraad hebben geresulteerd in een toekenning door belanghebbende aan leden van op hun naam gestelde certificaten en dat uit die toekenning voor belanghebbende een schuld voortvloeit; - dat belanghebbende van deze schuld gelet op de omstandigheden, a. dat de schuld eerst op termijn moet worden afbetaald, b. dat zij over het haar ter beschikking staande bedrag geen rente behoeft te vergoeden, en c. dat (volledige) betaling van de schuld gelet op artikel 3 van het Certificatenreglement onzeker is, niet de nominale, maar slechts de contante waarde in aftrek kan brengen.

4. Beoordeling van het middel van de Staatssecretaris Het middel dat zich tegen deze oordelen keert met de stelling dat het begrip uitdeling in de voormelde wetsbepaling slechts ziet op daadwerkelijke uitkeringen van winst die het vermogen van de coöperatie verlaten en aldus bij haar tot verarming leiden en dat derhalve de onderhavige bijschrijving niet tot aftrek leidt, treft doel op de in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 7.1 tot en met 7.3 vermelde gronden.

5. Beoordeling van het middel van belanghebbende Het middel dat zich tegen de sub 3 vermelde oordelen van het Hof keert met de stelling dat de winstuitdeling van belanghebbende bestaat uit het voldoen aan de stortingverplichting en overeenkomt met het bedrag daarvan, in casu de nominale waarde van de certificaten, faalt, nu, zoals blijkt uit hetgeen hiervóór sub 4 is vermeld, het begrip "uitdelingen" in artikel 9, lid 1, onderdeel h, van de Wet inhoudt dat het uitgedeelde daadwerkelijk wordt afgestaan en daarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

6. Conclusie Uit het hiervóór onder 4 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

7. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belasting- zaken.

8. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep van belanghebbende; vernietigt op het beroep van de Staatssecretaris de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht; bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is op 17 maart 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.