Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2703

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34126
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Wet op de omzetbelasting 1968 25
Wet op de omzetbelasting 1968 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/214
FED 1999/235
WFR 1999/394
V-N 1999/16.27 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 januari 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 1995 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 2.858,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de klachten en ambtshalve 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in het onderwerpelijke tijdvak op een door hem uitgereikte factuur wegens door hem verrichte diensten omzetbelasting in rekening gebracht. De naheffingsaanslag heeft betrekking op deze omzetbelasting.

3.2. Het Hof heeft als tussen partijen in geschil aangenomen of belanghebbende in het onderwerpelijke tijdvak was aan te merken als ondernemer en, zo ja, of hij recht had op vermindering van belasting op grond van artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het onderhavige tijdvak als ondernemer in het kader van de omzetbelasting te beschouwen was en dat gelet op evenvermeld oordeel belanghebbende de onderhavige belasting op grond van artikel 37 van de Wet verschuldigd is geworden.

3.4. Met deze oordelen heeft het Hof miskend dat de bewijslast met betrekking tot de feiten die erop wijzen dat een belanghebbende de op een factuur vermelde omzetbelasting op grond van artikel 37 van de Wet verschuldigd is geworden, gelet op de bewoordingen van dit artikel, op de inspecteur rust.

3.5. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Hierbij verdient nog het volgende opmerking. Het oordeel van het Hof dat belasting, welke is verschuldigd op grond van artikel 37 van de Wet, niet kan worden verminderd op de voet van artikel 25 van de Wet, is juist. Bladzijde 3, eerste alinea, van het vertoogschrift van de Inspecteur en bijlage 3b, punt 1, bij dat vertoogschrift laten geen andere uitlegging toe dan dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende, zo hij in het onderwerpelijke tijdvak was aan te merken als ondernemer, op grond van artikel 25 van de Wet recht heeft op ƒ 1.421,-- vermindering van omzetbelasting.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie ver schuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 315,--.

Dit arrest is op 17 maart 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren De Moor , Van Vliet, Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.