Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2695

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
33926
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA2695
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/160
FED 1999/194
FED 1999/372 met annotatie van R.M. FREUDENTHAL
WFR 1999/324, 2
V-N 1999/14.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 oktober 1997 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 275.512,--, waarvan een bedrag van f 224.253,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990). Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 12 oktober 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende oefende in firmaverband met zijn zoon een landbouw- en veeteeltbedrijf uit. De winst werd bepaald over niet met het kalenderjaar samenvallende boekjaren, die liepen van 1 mei tot en met 30 april. Op 24 november 1989 hebben belanghebbende en zijn zoon hun melkquotum verkocht met een winst van f 489.318,--, waarvan de helft, dat is f 244.659,--, aan belanghebbende toekwam. Belanghebbende heeft zijn onderneming op 30 april 1990 gestaakt; zijn zoon heeft het bedrijf als akkerbouwer voortgezet.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 20, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) voorschrijft dat de winst over een gebroken boekjaar wordt beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin het boekjaar is geëindigd en dat, nu de onderwerpelijke boekwinst is gerealiseerd in het gebroken boekjaar dat is geëindigd in 1990, die winst op de voet van de voor dat jaar geldende bepalingen van de Wet dient te worden belast, zodat van de boekwinst dan ook terecht een gedeelte, groot f 244.253,--, is belast naar het met ingang van 1 januari 1990 geldende vaste bijzondere tarief van 45 percent.

3.3. Op de gronden, vermeld in de onderdelen 6.1 tot en met 6.4 van de conclusie van het Openbaar Ministerie, faalt het middel, dat zich tegen voormeld oordeel richt.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 3 maart 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.