Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2690

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34339
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/202
FED 1999/200
FED 1999/264 met annotatie van J.A. SMIT
WFR 1999/327, 2
V-N 1999/14.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Gravenhage van 14 april 1998 betreffende de hem voor het jaar 1993 opge legde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aan slag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 244.562,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uit spraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep ge komen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ´s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoog schrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de in artikel 44m, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voor de toepassing van de zelfstandigenaftrek opgenomen leeftijdsgrens van 65 jaar een door artikel 26 IVBPR verboden discriminatie oplevert. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 1990, nr. 26690, BNB 1990/212, heeft geoordeeld, heeft het Hof dit standpunt terecht verworpen. Voorzover het eerste middel zich tegen dit oordeel richt, faalt het derhalve.

3.2. Ook voorzover het eerste middel betoogt dat de Resolutie van 1 juli 1988, no. DB88-8723, BNB 1988/230, in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel, faalt het. Ervan uitgaande dat de leeftijdsgrens van 18 jaar in de wet is opgenomen om te voorkomen dat de zelfstandigenaftrek ook zou worden verleend aan kinderen die als erfgenaam deelgerechtigd zijn geworden in een onderneming, beoogt de resolutie slechts in gevallen, waarin een gehuwde belastingplichtige beneden de 18 jaar anders dan als erfgenaam een onderneming drijft, in afwijking van genoemde leeftijdsgrens, zelfstandigenaftrek toe te staan. Deze gevallen zijn niet vergelijkbaar met gevallen waarin belastingplichtigen ouder dan 65 jaar een onderneming drijven. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 9 februari 1984, Stb. 27, blijkt immers dat de leeftijdsgrens van 65 jaar is opgenomen omdat er bij zelfstandigen ouder dan 65 jaar in de regel geen aanleiding meer zal zijn om winst opzij te leggen voor de doeleinden die met de aftrek mogelijk worden gemaakt.

3.3. Het tweede middel kan evenmin tot cassatie lei den. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikke ling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 3 maart 1999 vastgesteld door de raadsheer Van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.