Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2630

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34772
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9, geldigheid: 1999-11-17
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9, geldigheid: 1999-11-17
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9, geldigheid: 1999-11-17
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9, geldigheid: 1999-11-17
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9, geldigheid: 1999-11-17
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9, geldigheid: 1999-11-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/8
FED 1999/721
FED 1999/705
WFR 1999/1620, 1

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 september 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, aanslagnummer 001, met een verhoging van de nageheven belasting van f 16.000,-- opgelegd, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag geen kwijtschelding heeft verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 2.820.645,-- en van de verhoging algehele kwijtschelding verleend.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak heeft vernietigd en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 2.787.401,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is importeur van personenauto’s van het merk C. Ten behoeve van de verkoop van auto’s aan internationale autoverhuurbedrijven heeft zij een speciaal verkoopprogramma ontwikkeld. In dat kader biedt zij aangepaste versies van enkele typen van de door haar geïmporteerde personenauto’s aan. Deze als rentals aangeduide auto’s onderscheiden zich van de standaarduitvoeringen doordat een aantal van de standaardvoorzieningen ontbreken, zoals de wiswasinstallatie op de achterruit, de aanduiding van de uitvoering, kunststof wielplaten, de striping, getint glas, de centrale vergrendeling, hoofdsteunen en de airco. De rentals worden verkocht door een beperkt aantal van belanghebbendes dealers. In het naheffingstijdvak zijn door de desbetreffende dealers rentals verkocht aan vijf autoverhuurbedrijven. Belanghebbende heeft, met kennelijke toepassing van artikel 7 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet), ter zake van de registratie van de rentals op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen voldaan.

3.1.2. Belanghebbende heeft in het naheffingstijdvak voor de rentals afzonderlijke catalogusprijzen vastgesteld. De te dier zake opgestelde prijsoverzichten zijn kenbaar gemaakt aan de desbetreffende dealers. Zij waren ook bekend bij de grote autoverhuurbedrijven. De overzichten vermelden de prijzen zowel inclusief omzetbelasting en belasting van personenauto’s en motorrijwielen als exclusief deze belastingen.

3.1.3. Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende voor de rentals vastgestelde catalogusprijzen niet kunnen gelden als uitgangspunt voor de bepaling van de maatstaf van heffing van artikel 9 van de Wet. Zij heeft de catalogusprijzen van de rentals bepaald door de netto catalogusprijzen van de standaarduitvoeringen te verminderen met de waarde van de bij de rentals ontbrekende voorzieningen met als minimum de netto catalogusprijzen als genoemd in door belanghebbende opgestelde prijsoverzichten voor de rentals.

3.2. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld: dat belanghebbende in het prijsoverzicht voor rentals een prijs vermeldt die uitsluitend van toepassing is bij de verkoop van honderden auto’s aan een beperkte groep afnemers, terwijl, afhankelijk van het aantal afgenomen auto’s, de uiteindelijk overeengekomen prijs nog lager kan zijn; dat dit overzicht uitsluitend bekend is bij een beperkte groep dealers en een beperkte groep afnemers; dat een willekeurige afnemer niet op de hoogte is van de prijs van een zogenoemde rental en hij een dergelijke auto zelfs niet zonder meerprijs als nieuwe auto kan verkrijgen.

Het Hof heeft voorts geoordeeld: dat gelet op deze feiten en omstandigheden, in hun onderling verband gezien, en de nauwe betrokkenheid van belanghebbende bij het tot stand komen van de levering van rentals de in het prijsoverzicht vermelde consumentenprijzen voor rentals niet kunnen gelden als catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet; dat die prijzen veeleer zijn aan te merken als een indicatie voor de dealers welke prijskortingen bij de afname van grote aantallen auto’s kunnen worden toegestaan en aldus als uitgangspunt voor met gegadigden te voeren onderhandelingen.

Tegen deze oordelen komt het middel op.

3.3. Een prijs die, zoals hier, uitsluitend van toepassing is bij de verkoop van honderden auto's aan één afnemer, kan niet worden aangemerkt als catalogusprijs in de zin van artikel 9, lid 4 (vóór 1 januari 1994: lid 4 jo. lid 7), van de Wet, aangezien moet worden aangenomen dat de wetgever daarbij voor ogen heeft gestaan de prijs die geldt ongeacht het aantal afgenomen auto's. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 17 november 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.