Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2629

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 1999-11-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/7
FED 2000/307
FED 1999/704
FED 1999/720
WFR 1999/1620
V-N 1999/54.12

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X I B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 augustus 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1989 in de vennootschapsbelasting aangeslagen naar een belastbaar bedrag van f 787.905,--. Dit belastbare bedrag is bij beschikking van 31 december 1993 wegens terugwenteling van een verlies verminderd tot nihil. Vervolgens is aan belanghebbende over het jaar 1989 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van (wederom) f 787.905,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding tot op vijftig percent heeft verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd en van de verhoging algehele kwijtschelding verleend.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak in zoverre heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr P.S. Kamminga, advocaat te ’s-Gravenhage.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft voor de heffing van vennootschapsbelasting over het jaar 1992 aangifte gedaan van een belastbare winst van negatief f 3.221.077,--. Conform haar aangifte is aan belanghebbende over dat jaar een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd van nihil.

Van het over het jaar 1992 aangegeven verlies heeft de Inspecteur f 3.162.510,-- teruggewenteld naar de jaren 1989, 1990 en 1991. In dat kader heeft hij bij beschikking van 31 december 1993 de aanvankelijk aan belanghebbende over het jaar 1989 - conform haar aangifte – opgelegde aanslag verminderd tot een aanslag van nihil.

Nadat de Inspecteur was gebleken dat belanghebbende over het jaar 1992 in het geheel geen verlies had geleden, heeft hij aan belanghebbende over dat jaar een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, alsmede de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbendes beroep voorzover zij heeft bedoeld te stellen dat geen sprake van navordering kan zijn, omdat reeds de - naar tussen partijen niet in geschil is: foutieve - terugwenteling van het verlies over 1992 naar het onderhavige jaar een ambtelijk verzuim vormt, dient te worden verworpen; dat in het onderhavige geval niet relevant is op welke wijze het ten onrechte gepresenteerde verlies over 1992 vervolgens in de diverse jaren in aanmerking is genomen bij de belastingheffing van belanghebbende; dat immers, voorzover de foutieve verliesverrekening al kan worden aangemerkt als een ambtelijk verzuim, zij niet het feit vormt, dat grond opleverde voor het vermoeden dat de aanslag voor het onderhavige jaar tot een te laag bedrag was vastgesteld.

De klacht, die tegen deze oordelen opkomt, betoogt dat het Hof heeft miskend dat in het onderhavige geval van verliesverrekening met de belastbare winst van het onderhavige jaar reeds hierom geen sprake kon zijn, omdat het gepretendeerde verlies was geleden door een eerst met ingang van 1992 met belanghebbende in een fiscale eenheid gevoegde dochtermaatschappij van belanghebbende. Het is, aldus het middel, mitsdien aan een ambtelijk verzuim van de Inspecteur te wijten dat de aanslag, zoals deze na de beschikking van 31 december 1993 luidde, tot een te laag bedrag is vastgesteld.

Dit betoog kan niet tot cassatie leiden. Indien twee los van elkaar staande feiten elk voor zich grond opleveren voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en één van die feiten de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, staat laatstbedoelde omstandigheid er niet aan in de weg dat de belasting wordt nagevorderd op grond van het andere feit (Hoge Raad 4 mei 1988, nr. 25370, BNB 1988/209). Dit geldt ook wanneer wordt nagevorderd ter zake van de terugwenteling van een verlies dat niet of slechts gedeeltelijk blijkt te bestaan, indien de terugwenteling van dat verlies als zodanig in strijd was met de te dier zake geldende regels.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 17 november 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.