Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2618

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34844
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/5
FED 2000/42
WFR 1999/1576
V-N 1999/54.19

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 september 1998 betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 65.137,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in 1995 de volgende aan de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen onderworpen inkomsten genoten. In de maand januari ontving hij aan loon f 19.826,--. Bij de inhouding is tariefgroep 2 toegepast. Met ingang van 31 januari 1995 is zijn dienstbetrekking beëindigd. In de maanden februari tot en met november genoot hij een NWW-uitkering tot een totaal bedrag van f 30.338,--. Ook hierop is bij de inhouding tariefgroep 2 toegepast. In de maanden februari tot en met oktober ontving belanghebbende van zijn voormalige werkgever een aanvullende uitkering van in totaal f 13.060,--, waarop is ingehouden met toepassing van tariefgroep 1. In de maand december ontving belanghebbende uit een nieuwe dienstbetrekking f 3.804,-- aan loon. Bij de inhouding is tariefgroep 2 toegepast.

3.2 In cassatie herhaalt belanghebbende zijn door het Hof verworpen stelling dat hem op grond van het bepaalde in artikel 64, lid 2, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995) geen aanslag kon worden opgelegd, nu het gezamenlijke bedrag van de inkomsten die hij gedurende dezelfde tijdvakken van meer dan een inhoudingsplichtige heeft genoten minder beliep dan het onder 1° van deze bepaling vermelde bedrag van f 50.423,--.

3.3 Uit de door het Hof vermelde wetsgeschiedenis blijkt dat de onderwerpelijke bepaling ertoe strekt te voorkomen dat bij het gelijktijdig genieten van loon uit meer dan een dienstbetrekking een te grote ongelijkheid tussen de geheven loonbelasting en de bij het in totaal genoten loon behorende inkomstenbelasting zou ontstaan, in de situatie dat ter zake van het loon uit de afzonderlijke dienstbetrekkingen de loonbelasting geheel volgens het tarief van de zogenaamde eerste schijf zou worden geheven, terwijl het uit die dienstbetrekkingen in totaal genoten loon de bovengrens van de eerste schijf vermeerderd met de basisaftrek zou overschrijden. Dit effect zou niet alleen kunnen optreden in het geval dat het uit de afzonderlijke dienstbetrekkingen genoten loon in de samenvallende loontijdvakken de bedoelde grens overschrijdt. Het zou evenzeer kunnen optreden in het geval dat die grens wordt overschreden doordat buiten de samenvallende loontijdvakken nog ander loon uit de gelijktijdig vervulde of andere dienstbetrekkingen wordt genoten. De bepaling dient daarom naar haar strekking aldus te worden uitgelegd dat zij ook de laatstbedoelde situaties omvat. De tekst van de bepaling kan weliswaar ook anders worden gelezen, maar verzet zich niet tegen deze uitleg, waarbij de woorden “die inkomsten” terugslaan op “de aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten”. Het Hof heeft derhalve terecht de andersluidende opvatting van belanghebbende verworpen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 10 november 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.