Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2616

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34976
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 1999-11-10
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 1999-11-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/6
FED 2000/53
WFR 1999/1576, 2
V-N 1999/54.23

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de gemeente X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 november 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 719.427,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft onder meer de bestemmingsplannen A en B gerealiseerd. In dat kader zijn percelen grond aan derden geleverd, deels belast met omzetbelasting op de voet van artikel 11, lid 1, onderdeel a, 1e, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), en deels vrijgesteld van omzetbelasting, en zijn op aan de gemeente verblijvende grond zogenoemde gemeenschapsvoorzieningen aangelegd.

3.1.2. De opbrengst van de geleverde percelen grond was voldoende om de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen te bekostigen.

In het bestemmingsplan A bedroegen de kosten van de gemeenschapsvoorzieningen f 24.443.268,--, exclusief f 3.648.086,-- omzetbelasting. Uit de verkopen van de percelen grond was, na aftrek van de rechtstreeks aan die percelen toe te rekenen kosten, hiervoor beschikbaar f 24.129.982,-- voorzover het betreft met heffing van omzetbelasting geleverde grond en f 18.887.344,-- voorzover het betreft met vrijstelling van omzetbelasting geleverde grond. Van de percelen grond is 73,77% met heffing van omzetbelasting geleverd en 26,23% vrijgesteld van omzetbelasting.

In het bestemmingsplan B bedroegen de kosten van de gemeenschapsvoorzieningen f 3.680.340,-- exclusief f 558.900,-- omzetbelasting. Uit de verkopen van de percelen grond was, na aftrek van de rechtstreeks aan die percelen toe te rekenen kosten, hiervoor beschikbaar f 5.690.226,-- voorzover het betreft met heffing van omzetbelasting geleverde grond en f 354.698,-- voorzover het betreft met vrijstelling van omzetbelasting geleverde grond. Van de percelen grond is 94,58% met heffing van omzetbelasting geleverd en 5,42% vrijgesteld van omzetbelasting.

3.1.3. Belanghebbende heeft met toepassing van het bepaalde in de resolutie van 6 augustus 1980, nr. 280-10178, Vakstudie Nieuws 1980, blz. 1847 (hierna: de Resolutie) de op de gemeenschapsvoorzieningen betrekking hebbende omzetbelasting gedeeltelijk in aftrek gebracht. Belanghebbende heeft de aftrekbare belasting bepaald volgens een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het bedrag van het voor de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen beschikbare bedrag uit met omzetbelasting belaste leveringen van percelen grond, en de noemer door het bedrag van de kosten van de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen. Voor het bestemmingsplan A betekent dit dat in aftrek is gebracht 24.129.982/24.443.268 x f 3.648.086,-- en voor het bestemmingsplan B het volledige bedrag van f 558.900,--. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat naar rato van de geleverde oppervlakten voor aftrek in aanmerking komt 73,77% van f 3.648.086,-- en voor het bestemmingsplan B 94,58% van f 558.900,--, de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de opbrengst van de met omzetbelasting belaste leveringen op een andere wijze is aangewend dan de opbrengst van de van omzetbelasting vrijgestelde leveringen en dat er derhalve van dient te worden uitgegaan dat de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen naar evenredigheid is bekostigd uit beide soorten opbrengst, hetgeen inhoudt dat een gedeelte van de kosten van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen is bestreden uit de opbrengst van met vrijstelling van omzetbelasting geleverde percelen grond. Het middel betoogt dat niet exact is te traceren of en welke kosten van de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen specifiek zijn doorberekend in de belaste opbrengsten, hetgeen wettigt een berekeningsmethodiek waarbij alle kosten van de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen enkel worden vergeleken met de belaste opbrengsten.

Het oordeel van het Hof, dat aan de Resolutie niet het vertrouwen valt te ontlenen dat de opbrengst van vrijgestelde leveringen van grond aan derden en de aanwending van die opbrengst ten behoeve van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen, buiten beschouwing kan blijven bij de bepaling van de aftrek van de op die aanleg drukkende omzetbelasting, is echter, gelet op de in onderdeel 8 van de Resolutie voorkomende zinsnede “voorzover de kosten van die voorzieningen - al of niet via de grondprijs – worden doorberekend aan de eigenaar van de bouwterreinen en ter zake omzetbelasting moet worden voldaan”, en op de strekking van de Resolutie, te weten het voorkomen van cumulatie van omzetbelasting bij aan de heffing van omzetbelasting onderworpen leveringen van grond in een bestemmingsplan, juist. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 10 november 1999 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter, en de raadsheren Van Vliet en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Huijgevoort, en op die datum in het openbaar uitgesproken.