Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA1489

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
R98/159HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 79
NJ 1999, 784
RvdW 1999, 148
EB 2000, 12
FJR 2000, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekers],

beiden wonende te [woonplaats] (Gers), Frankrijk,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr R.T.R.F. Carli,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr J.E. Molenaar.

1.Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 april 1997 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de vader - zich gewend tot die Rechtbank en (voorwaardelijk) verzocht de beschikking van de Rechtbank te Breda van 10 mei 1990 aldus te wijzigen dat de daarin bepaalde en aan verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de moeder – te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van verzoeker tot cassatie sub 2 – verder te noemen: de zoon – met ingang van 1 juli 1996, althans met ingang van een datum als de Rechtbank redelijk zal oordelen, wordt bepaald op nihil, respectievelijk op een zodanig bedrag als de Rechtbank redelijk en billijk vindt en voorts een eventuele achterstand in de betaling van deze alimentatie te bepalen op hetgeen hij tot op de dag van de uitspraak heeft voldaan.

De moeder heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 16 september 1997 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 18 september 1998 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de Rechtbank te Breda van 10 mei 1990 en van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12

februari 1992 de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 1996 op nihil bepaald en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof hebben de moeder en de zoon beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Bij vonnis van de Rechtbank Breda van 12 december 1989 is tussen de vader en de moeder echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 5 januari 1990 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Laatstelijk voor het onder 1 vermelde verzoek moest de vader ƒ 250,-- per maand alimentatie (geïndexeerd sedert 1990, met uitzondering van 1992) betalen voor de zoon, geboren op 12 juni 1979.

De Rechtbank heeft het onder 1 vermelde verzoek afgewezen. Het Hof heeft met vernietiging van de beschikking van de Rechtbank de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor de zoon met ingang van 1 juli 1996 op nihil gesteld. Daartegen keren zich de middelen.

3.2 De vader heeft in dit geding gesteld dat hij van de moeder een briefje, gedateerd juni 1996, heeft ontvangen, waarin zij onder meer verklaart dat de zoon geslaagd is voor zijn examen, dat zij met hem voorgoed naar Frankrijk vertrekt, waar de zoon kan werken en dat zij geen geld meer behoeft te hebben. Het Hof heeft in rov. 5 vooropgesteld dat de vader deze brief in eerste aanleg heeft overgelegd en dat de moeder betwist de brief te hebben geschreven. Vervolgens heeft het Hof zowel voor het geval dat de moeder het briefje wel heeft geschreven als voor het geval dat zulks niet het geval is, geoordeeld dat de vader niet gehouden was alimentatie voor de zoon te betalen over de periode van 1 juli 1996 tot februari 1997, in welke maand de advocaat van de moeder zich tot de vader heeft gewend.

3.3 Voor het geval dat moet worden aangenomen dat de moeder het briefje wel heeft geschreven, heeft het Hof als volgt overwogen:

“De vader is met ingang van 1 juli 1996 gestopt alimentatie voor [de zoon] te betalen. Op 11 november 1996 heeft de vader van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) een brief ontvangen waaruit blijkt dat ook het LBIO op grond van voormeld briefje van juni 1996, door de vader aan het LBIO getoond, ervan uitgaat dat de moeder heeft afgezien van verdere financiële bijdragen van de vader voor [de zoon]. Het hof is van oordeel dat de vader er onder die omstandigheden van mocht uitgaan dat de moeder vanaf juli 1996 geen geld meer wilde hebben voor [de zoon].”

Dit oordeel moet kennelijk aldus worden begrepen dat de vader naar ’s Hofs oordeel ervan mocht uitgaan dat de moeder geen betaling van alimentatie voor de zoon verlangde zolang zij niet zou zijn teruggekomen van hetgeen in het briefje van juni 1996 was medegedeeld. Middel I, dat veronderstelt dat het Hof – met miskenning van art. 1:400 lid 2 BW – zou hebben geoordeeld dat de moeder afstand had gedaan van het recht van de zoon op alimentatie, berust dan ook op een verkeerde lezing van de bestreden overwegingen, zodat het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

3.4 Voor het geval dat aangenomen moet worden dat de moeder het briefje niet heeft geschreven, heeft het Hof voorts in aansluiting op de in 3.3 aangehaalde passage als volgt overwogen:

“Zou zij het briefje niet hebben geschreven, dan betekent dit dat zij zonder enig bericht aan de vader met [de zoon] en diens stiefvader voorgoed zou zijn vertrokken naar een boerenbedrijf in Zuid-Frankrijk zonder opgave van adres of betalingsinstructies en zonder het slagen van [de zoon] te melden. Na het staken van de betalingen heeft de moeder langdurig geen actie ondernomen om tot voldoening van de kinderalimentatie te komen, hoewel zij door het LBIO op de hoogte was gesteld van diens interpretatie van haar brief van juni 1996. Pas in februari 1997 heeft haar raadsvrouwe zich tot de man gewend.”

Het Hof is kennelijk van oordeel dat de vader onder die omstandigheden ervan mocht uitgaan dat de moeder gedurende de periode juli 1996 – februari 1997 geen aanspraak maakte op betaling van de door hem verschuldigde alimentatie voor de zoon. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst; het is ook niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuit middel II in zijn geheel af.

3.5.1 Middel III keert zich tegen rov. 6 van het Hof, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de moeder (voor wat betreft de periode van februari 1997 tot en met 12 juni 1997) en de zoon (voor wat betreft de periode van zijn meerderjarigheid) onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de zoon nog behoefte had of hebben aan een aanvullende bijdrage.

3.5.2 De onderdelen a en b, die ervan uitgaan dat het Hof ten onrechte (impliciet) als eis voor verschuldigdheid van alimentatie voor de zoon heeft gesteld dat sprake moet zijn van behoeftigheid van de zoon, missen blijkens het in 3.5.1 weergegeven oordeel van het Hof feitelijke grondslag.

3.5.3 Onderdeel c keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 6 van het Hof dat het diploma van de zoon op het agrarisch opleidingscentrum West Brabant – een diploma op LBO-niveau – voldoende moet worden geacht om in het boerenbedrijf de kost te verdienen. In het licht van het debat van partijen, zoals daarvan blijkt uit de stukken van het geding, waaronder ook de door het onderdeel genoemde brief van 16 december 1997 van de zoon aan de griffier van het Hof, is dit oordeel niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuit het onderdeel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Herrmann, De Savornin Lohman en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 22 oktober 1999.