Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA1058

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/113HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA1058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 21 met annotatie van Th.G. Drupsteen
JOL 1999, 142
NJ 2000, 234 met annotatie van A.R. Bloembergen
RvdW 1999, 180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

in de zaak van:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr F.J. de Vries,

t e g e n

HET WATERSCHAP DE DOMMEL,

gevestigd te Boxtel,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instan-ties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eisers] c.s. - hebben bij exploit van 29 december 1989 verweerder in cassatie – verder te noemen: het Waterschap - gedag-vaard voor de Rechtbank te 's-Hertogen-bosch en gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat door het Waterschap on-rechtmatig is/wordt gehandeld ten aanzien van [ei-sers] c.s. en/althans dat het Waterschap gehouden is de schade die is ontstaan aan [eisers] c.s. te vergoeden;

2. het Waterschap te veroordelen in verband met het on-rechtmatig handelen door het Waterschap ten aanzien van [eisers] c.s. dan wel uit hoofde van enige an-dere verplichting/gehoudenheid tot het vergoeden van de schade die door [eisers] is geleden, te vol-doen de in het petitum van de dagvaarding vermelde bedragen, alle vermelde bedragen te vermeerderen met een schadevergoeding terzake van nog niet bere-kende en opgevoerde schade veroorzaakt door inunda-ties na 1984 alsmede schade veroorzaakt door ver-vuiling van hun landerijen met schadelijke stoffen, nader op te maken bij staat en te vereffenen vol-gens de wet, de totale bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze dagvaar-ding.

Het Waterschap heeft de vorderingen be-streden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 18 maart 1994 de vorderingen van [eisers] c.s. afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [eisers] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechts-hof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 2 december 1997 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [ei-sers] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Waterschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het vol-gende.

(i) [eisers] c.s. hadden in 1984 en latere jaren eigenaars- en/of onderne-mersbelangen bij gronden, die in de na-bijheid van de Dommel zijn gelegen. Zij stellen dat deze gronden bij hoge water-standen van de Dommel regelmatig zijn overstroomd en dat zij hierdoor schade hebben geleden. Stellende dat het Water-schap hiervoor aansprakelijk is, hebben zij de onder 1 vermelde vorderingen ing-esteld.

(ii) Deze aansprakelijkheid baseren zij - kort gezegd - op een falend beleid van het Waterschap met betrekking tot het voorkomen van die overstromingen. Het Waterschap, aldus [eisers] c.s., heeft enerzijds diverse vergunningen en onthef-fingen verleend tot lozingen (al dan niet rechtstreeks) in de Dommel, waardoor on-der andere een grotere hoeveelheid water dan voorheen afgevoerd moet worden, maar heeft anderzijds nagelaten het beheer en het onderhoud van de Dommel hieraan aan te passen, waardoor het waterpeil van de Dommel regelmatig te hoog is geworden en overstromingen hebben plaatsgevonden.

(iii) Het Waterschap heeft, onder erken-ning dat de Dommel bij hem in beheer en onderhoud is, in het algemeen gesteld dat de waterhoogte van de Dommel primair en overwegend afhankelijk is van:

a. de neerslaghoeveelheid in het stroom-gebied;

b. de planologische inrichting van dat stroomgebied, zowel met het oog op de consequenties voor de kwantitatieve wa-terbeheersing van de toegenomen verstede-lijking als met het oog op de inrichting van het Dommeldal en –bed.

Het Waterschap heeft aangevoerd dat het de eerste factor in het geheel niet in de hand heeft. Bij de tweede factor wordt zijn rol als behartiger van waterbeheer-singsbelangen beperkt door andere belang-en die bij de totstandkoming van planolo-gische beslissingen worden afgewogen. De besluitvorming dienaangaande berust niet bij het Waterschap en het Waterschap kan niet eigener beweging tot verbetering van de Dommel overgaan. Het Waterschap heeft dan ook betwist dat het heeft in te staan voor een min of meer vaste of gemaximali-seerde waterstand van de Dommel.

(iv) De Rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] c.s. afgewezen. Het Hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Hiertegen keert zich het middel.

3.2 Met hun grieven hebben [eisers] c.s., naar het Hof heeft overwogen, het geschil in volle omvang aan het Hof voor-gelegd. Het Hof is, evenals de Rechtbank, veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eisers] c.s. dat het door [eisers] c.s. uitvoerig omschreven vergunningen- en ontheffingen-beleid van het Waterschap dan wel enige andere niet natuurlijke oorzaak tot ge-volg heeft gehad dat de kans op overstro-mingen is toegenomen (rov. 4.2). Het door [eisers] c.s. aan het Waterschap gerichte verwijt dat het Waterschap heeft nagela-ten in het stroomgebied van de Dommel tussen Eindhoven en Boxtel structurele maatregelen te nemen die tot gevolg heb-ben dat de afvoercapaciteit van de Dommel zodanig toereikend is, dat niet steeds de landerijen van [eisers] c.s. overstroomd raken, welke maatregelen ook wel aang-eduid worden als het normaliseren van de Dommel, heeft het Hof verworpen. Het Hof heeft geoordeeld dat het Waterschap der-halve niet onrechtmatig jegens [eisers] c.s. heeft gehandeld door het normalise-ren van de Dommel niet verder voort te zetten (rov. 4.3). Het Hof heeft vervol-gens geoordeeld dat de beslissing van het Waterschap om de Dommel niet uit te bag-geren, niet onrechtmatig is jegens [ei-sers] c.s. (rov. 4.5). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, nu geen sprake is van een onrechtmatige daad van het Waterschap jegens [eisers] c.s., niet valt in te zien waarom het Waterschap verplicht zou kunnen worden de schade van [eisers] c.s. te vergoeden (rov. 4.6). Tenslotte is het Hof aan de bewijsaanbiedingen van [ei-sers] c.s. voorbijgegaan (rov. 4.7).

3.3 Onderdeel 1 keert zich tegen de rov. 4.3 en 4.5 van het Hof. Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 4.6. De onderdelen 3 – 6 keren zich met motiveringsklachten tegen onderdelen van de rov. 4.3 en 4.5. Onderdeel 7 keert zich tegen rov. 4.7.

3.4.1 Met betrekking tot het niet verder voortzetten van het normaliseren van de Dommel heeft de Rechtbank in rov. 4.7 van haar vonnis overwogen, samengevat weerge-geven:

- dat kanaliseren geen haalbare optie meer was omdat de noodzakelijke medewer-king van provincie en gemeenten als ge-volg van gewijzigde planologische en eco-logische inzichten was weggevallen;

- dat aangenomen moet worden dat daarin de grond voor het bestuur van het Water-schap was gelegen om niet langer op nor-malisering aan te sturen;

- dat zulks impliceert dat aan die be-slissing geen vrije keuze van het Water-schap ten grondslag lag, maar dat die door ontwikkelingen van buitenaf onver-mijdelijk was;

- dat een besluit om onder de druk van die omstandigheden van het aanvankelijk beleidsvoornemen tot normalisatie af te zien, redelijk en daarom niet onrechtma-tig is;

- dat daarbij komt dat het Waterschap om eventueel onevenredige nadelen van deze ontwikkelingen voor onder meer [eisers] c.s. te ondervangen, een uitkoopregeling (het “Uiterwaardenplan”) heeft vastge-steld waarin compensatie wordt geboden voor het niet-doorgegaan zijn van verbe-teringswerken die elders wel zijn uitge-voerd;

- dat dit de zorgvuldigheid van het ten deze gevoerde beleid onderstreept.

Het Hof heeft zich in rov. 4.3 met rov. 4.7 van de Rechtbank verenigd en daaraan toegevoegd – voor zover hier van belang – dat de omstandigheid dat de uit-koopregeling mogelijk voor de bedrijven van [eisers] c.s. ook nadelige gevolgen heeft, niet afdoet aan de door de Recht-bank gememoreerde zorgvuldigheid van het beleid van het Waterschap. Het Waterschap heeft derhalve niet onrechtmatig gehan-deld jegens [eisers] c.s. door het norma-liseren van de Dommel niet verder voort te zetten, aldus het Hof.

3.4.2 Blijkens zijn rov. 4.5 heeft het Hof de beslissing van het Waterschap om de Dommel niet uit te baggeren niet on-rechtmatig geacht jegens [eisers] c.s. “met name op grond van de volgende om-standigheden, in hun onderlinge samenhang bezien en de diverse belangen tegen el-kaar afwegend” - verkort weergegeven - :

a. De nadelen van de overstromingen zijn relatief beperkt voor ieder van de eisers in cassatie afzonderlijk.

b. Overstromingen behoren van oudsher tot de normale risico’s voor de exploi-tanten van gronden aan of nabij de oevers van de Dommel. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van overstromingen: het achter-blijven van vervuild slib.

c. Het uitbaggeren van de Dommel stuit op ernstige financiële en milieu-technische bezwaren. Het in de Dommel aanwezige vervuilde slib is bij lange na niet alleen aan de vergunninghouders te wijten.

d. Door uitbaggeren van de Dommel kunnen overstromingen nooit geheel worden voorkomen.

e. Het Waterschap heeft een aantal maatregelen genomen ter voorkoming van overstromingen en slibafzetting op ong-ewenste plaatsen.

3.4.3 Onderdeel 1 strekt ten betoge dat het Hof bij zijn in de rov. 4.3 en 4.5 gegeven oordelen van een onjuiste rechts-opvatting is uitgegaan, althans dat het die oordelen onvoldoende heeft gemoti-veerd, zulks gezien het door het Hof in zijn rov. 4.2 veronderstellenderwijs aangenomen verhoogde risico van overstro-ming, de door het Waterschap berekende omvang van de verhoging van dit risico in de zomermaanden, de ernst van de water-verontreiniging van de waterbodem van de Dommel en de ernst van de overstromingen in 1984. Aan de onrechtmatigheid van het handelen van het Waterschap doet, aldus het onderdeel, niet af dat het Waterschap voor de realisering van zijn beleid ter zake van baggeren mede afhankelijk is van andere overheidslichamen, omdat het Wa-terschap immers als kwaliteits- en kwan-titeitsbeheerder van de Dommel op bedoel-de onrechtmatige gedragingen kan worden aangesproken.

3.4.4 Klaarblijkelijk heeft het Hof in zijn hiervoor in 3.4.1 en 3.4.2 sameng-evatte rov. 4.3 en 4.5 tot uitgangspunt genomen dat de vraag hoever de verplich-tingen van het Waterschap die voortvloei-en uit zijn waterbeheertaak, zich uit-strekken, mede afhangt van de financiële en andere middelen die het Waterschap ten dienste staan en dat het Waterschap dien-aangaande een zekere beleidsvrijheid niet kan worden ontzegd. Dit uitgangspunt is juist (vgl. HR 9 oktober 1981, nr. 11775, NJ 1982, 332 en HR 8 januari 1999, nr. 16754, NJ 1999, 319). Door met inachtne-ming van dit uitgangspunt tot de slotsom te komen dat het Waterschap niet onrecht-matig jegens [eisers] c.s. heeft gehan-deld door het normaliseren van de Dommel niet verder voort te zetten en te beslis-sen om de Dommel niet uit te baggeren, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het voor het ove-rige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook, mede in aan-merking genomen dat, zoals hierna zal blijken, ook de onderdelen 3 – 7 falen, niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 1 stuit op het voorgaande geheel af.

3.5.1 De Hoge Raad zal de onderdelen 2 en 3 gezamenlijk behandelen. Onderdeel 2 voert aan dat het Hof bij zijn in rov. 4.6 gegeven oordeel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het betoogt dat het Waterschap zich in ieder geval de belangen van [eisers] c.s. in dier voege diende aan te trekken dat het de ten ge-volge van de wijze van beheer van de Dom-mel voor hen ontstane onevenredige schade op enigerlei wijze diende te compenseren. Voor zover het Hof de uitkoopregeling in het Uiterwaardenplan als genoegzame com-pensatie heeft gezien, is dat oordeel evenzeer onjuist en/of onbegrijpelijk, nu die regeling niet adequaat is en boven-dien reeds in oktober 1970 is gepresen-teerd, aldus het onderdeel. Onderdeel 3 keert zich met een motiveringsklacht te-gen rov. 4.5. onder a van het Hof.

3.5.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de nadelen van de overstromingen relatief beperkt zijn voor ieder van de eisers tot cassatie (rov. 4.5 onder a). Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Voorts heeft het Hof bij zijn oordeel dat het niet verder voortzetten van het normaliseren van de Dommel niet onrechtmatig is, mede in aanmerking geno-men dat het Waterschap om onevenredige nadelen voor onder meer [eisers] c.s. te ondervangen ter compensatie een uit-koopregeling heeft vastgesteld. In voor-melde oordelen ligt besloten het oordeel dat van onevenredige schade van [eisers] c.s. geen sprake is. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvat-ting en kan voor het overige vanwege zijn feitelijke karakter in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Dat de uitkoopregeling is tot stand gekomen in 1970 doet aan het-geen hiervoor is overwogen niet af, nu zij – naar in cassatie onbestreden is – ziet op de situatie die hier aan de orde is, namelijk de overstromingen van lande-rijen.

Op dit een en ander stuiten de on-derdelen geheel af.

3.6 De door de onderdelen 4 en 5 met motiveringsklachten bestreden oordelen zijn van feitelijke aard. Zij zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemoti-veerd. De onderdelen falen derhalve.

3.7 Onderdeel 6 acht onjuist en/of onbegrijpelijk ’s Hofs redenering dat het Waterschap mede niet in zijn onder-houdstaak is tekortgeschoten omdat onvol-doende is betwist dat door het Waterschap getroffen maatregelen “enige relevantie met betrekking tot het voorkomen van overstromingen missen.” De zorgplicht van het Waterschap, aldus het onderdeel, voor een goed beheer van de watergangen wordt aldus te zeer beperkt: van het Waterschap mag worden verwacht dat het adequater optreedt dan te volstaan met maatregelen die niet iedere relevantie missen, al-thans enige relevantie hebben.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft in rov. 4.5 sub e de daarbedoelde maatregelen niet vermeld om aan te geven dat de zorgplicht van het Waterschap tegenover [eisers] c.s. niet verder reikt dan het treffen van maatre-gelen die niet iedere relevantie missen, maar slechts tot uitdrukking gebracht dat [eisers] c.s. onvoldoende hebben betwist dat die maatregelen enige relevantie heb-ben met betrekking tot het voorkomen van overstromingen.

3.8 Volgens onderdeel 7 is het onbe-grijpelijk dat het Hof is voorbijgegaan aan de aanbiedingen van [eisers] c.s. om een deskundigenbericht te laten opstel-len. Het onderdeel faalt. Het is aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten om te beslissen of hij wil overgaan tot het benoemen van een deskundige. ’s Hofs beslissing om dat niet te doen is niet onbegrijpelijk.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Waterschap begroot op ? 2.907,20 aan verschotten en ? 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Herrmann, Jansen en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 19 november 1999.