Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:ZD1001

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-1998
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
106.619
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1998:17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel door te bemiddelen bij schijnhuwelijken, art. 197a Sr. 1. Uitleg bestanddeel “behulpzaam zijn bij”. Heeft art. 197a Sr betrekking op bemiddeling bij schijnhuwelijken? 2. Voornemen wetgever om bemiddeling bij schijnhuwelijken apart strafbaar te stellen.

Ad 1. Art. 197a Sr is in WvSr gevoegd ter uitvoering van Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Gelet op art. 27.1 Uitvoeringsovereenkomst kan niet als juist worden aanvaard stelling - die geen steun vindt in tekst van art. 197a Sr en in strijd is met hetgeen kennelijk bedoeling is geweest van partijen bij Uitvoeringsovereenkomst en van wetgever - dat niet o.g.v. art. 197a Sr zouden kunnen worden gestraft zij die, zonder betrokkene behulpzaam te zijn geweest bij verschaffen van toegang tot Nederland, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in Nederland. Daaraan doet niet af dat in wetsgeschiedenis van art. 197a Sr sprake is van tegengaan van activiteiten van "Schlepperorganisationen". Bestanddeel "behulpzaam zijn bij" moet in art. 197a Sr, zoals ook uit wetsgeschiedenis blijkt, in overeenkomstige zin worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Het gaat er om of betrokkene (verder) verblijf in Nederland van vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Hof heeft geoordeeld dat in bewezenverklaring bedoelde huwelijken zijn gesloten telkens en uitsluitend met oog op verkrijging door illegaal in Nederland verblijvende partner van verblijfsstatus en dat verdachte bewezenverklaarde handelingen, gericht op totstandkoming van die huwelijken, uit winstbejag heeft verricht. Dit oordeel is gelet op b.m. niet onbegrijpelijk. 's Hofs daarop en op die b.m. gegronde oordeel dat verdachte door die handelingen in bewezenverklaring genoemde personen bij hun verblijf in Nederland uit winstbejag behulpzaam is geweest in de zin van art. 197a Sr, geeft niet blijk van onjuiste uitleg van die wetsbepaling.

Ad 2. Art. 197b Sr bevatte aanvankelijk hetzelfde strafmaximum als art. 197a Sr en is specifieke, tot werkgevers gerichte, bepaling, die niet bestanddeel "uit winstbejag" kent. Tijdens parlementaire behandeling van dat artikel is voorgenomen strafbaarstelling van hen die “schijnrelatievorming of schijnaanvaarding ter fine van toelating tot Nederland begunstigen, bevorderen of vergemakkelijken” ter sprake gekomen. Toen is door regering opgemerkt dat daarbij “ongeveer constructie van art. 197b en art. 197c Sr” zal worden gevolgd. Uit voorafgaande volgt wel dat wetgever voornemens is ook t.a.v. bemiddeling bij schijnhuwelijken specifieke bepalingen in WvSr op te nemen, zoals dat eerder met art. 197b e.v. Sr t.a.v. werkgevers is geschied doch niet dat zodanige handelingen, ook v.zv. deze kunnen worden aangemerkt als uit winstbejag verrichte handelingen waarop art. 197a Sr ziet, thans niet strafbaar zouden zijn.

Volgt verwerping.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1998, 558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 april 1998

Strafkamer

nr. 106.619

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 30 oktober 1996 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 2 december 1994 – de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 1 primair sub a en b, 1 subsidiair sub a en b, 1 meer subsidiair, 1 nog meer subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde en haar voorts ter zake van ‘’een ander uit winstbejag behulpzaak zijn bij het verblijven in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd’’ veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep

Het beroep – dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken – is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

1. dat zij te Leiden en/of te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland in de periode van 1 januari 1994 tot en met maart 1994 een ander uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland, terwijl zij wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft zij, verdachte, — zakelijk weergegeven — toen en daar voor [betrokkene 1] , van wie zij wist dat hij illegaal in Nederland verbleef, tegen betaling aan haar, verdachte, door die [betrokkene 1] , een partner met Nederlandse nationaliteit gezocht met wie die [betrokkene 1] een schijnhuwelijk kon aangaan (hetgeen inderdaad op 22 maart 1994 is geschied) teneinde op grond daarvan een verblijfsstatus in Nederland te verkrijgen.

2. dat zij te Leiden en/of Rotterdam en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland in de periode van 01 januari 1994 tot en met mei 1994 een ander uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland terwijl zij wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft zij, verdachte, - zakelijk weergegeven – toen en daar voor [betrokkene 2] van wie zij wist dat zij illegaal in Nederland verbleef, tegen betaling aan haar, verdachte, een partner met Nederlandse nationaliteit gezocht met wie die [betrokkene 2] een schijnhuwelijk kon aangaan (hetgeen inderdaad op 29 maart 1994 te Rotterdam is geschied), teneinde op grond daarvan een verblijfsstatus in Nederland te verkrijgen.

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard – zakelijk weergegeven-:

Ik word ook wel [verdachte] of [verdachte] genoemd.

Ten aanzien van feit 1.:

2. De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik wist dat [betrokkene 1] illegaal was. [betrokkene 3] , zijn Nederlandse vriendin, wilde hem niet kwijt, maar zij kon niet met hem trouwen, omdat ze al getrouwd was. Hij moest trouwen om hier te kunnen blijven. Ik heb bemiddeld bij dat huwelijk. [betrokkene 1] zou voor het huwelijk met een Nederlands meisje f 25.000,- aan mij betalen.

3. Het proces-verbaal d.d. 19 december 1995 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 19 december 1995 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben op 22 maart 1994 getrouwd met [betrokkene 4] . Dat was een schijnhuwelijk. Ik ben met [betrokkene 4] getrouwd om zo een verblijfsstatus in Nederland te krijgen. Ik heb haar leren kennen via [verdachte] . Ik kreeg haar adres van een man die zei dat [verdachte] schijnhuwelijken voor geld regelt. [verdachte] wist dat ik illegaal in Nederland verbleef. Ik heb [verdachte] voor dat schijnhuwelijk zo’n f 25.000,-- betaald.

Ik heb een bedrag betaald voor inschrijving in Den Haag. Begin maart 1994 is in [woonplaats] een bedrag betaald aan [verdachte] . Ik heb nooit samengewoond met [betrokkene 4] .

4. Het proces-verbaal d.d. 5 februari 1996 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 5 februari 1996 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

[verdachte] heeft mij in 1993 benaderd om voor geld een schijnhuwelijk aan te gaan met [betrokkene 1] . Ik had op dat moment grote schulden en heb ja gezegd. Ik had de afspraak met [verdachte] dat ik f 11.000,-- zou krijgen. Op 8 maart 1994 heb ik een gedeelte van dat bedrag gekregen van [verdachte] . Na het huwelijk heb ik nog een gedeelte gekregen van een dochter van [verdachte] . Na het huwelijk heb ik [betrokkene 1] één keer gezien bij de Vreemdelingendienst; daarna heb ik hem nooit meer gezien.

Ten aanzien van feit 2:

5. De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik weet dat [betrokkene 5] de Nederlandse nationaliteit heeft. Ik heb [betrokkene 5] en [betrokkene 2] aan elkaar gekoppeld. Zij zijn getrouwd. [betrokkene 2] heeft voor geld gezorgd. [betrokkene 5] heeft f 20.000,-- ontvangen.

6. Het proces-verbaal d.d. 19 december 1995 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 19 december 1995 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

Ik ben op 29 maart 1994 in Hoogvliet getrouwd met [betrokkene 2] om financiële redenen. Zij is met mij getrouwd omdat zij een verblijfsstatus in Nederland wilde krijgen. Ik ben met haar in contact gekomen via [verdachte] . [verdachte] wist dat ik de Nederlandse nationaliteit had. Zij vroeg mij of ik tegen vergoeding een schijnhuwelijk wilde aangaan. Ik had geld nodig en heb ja gezegd. Zij heeft mij in contact gebracht met [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft geen verblijfsstatus in Nederland gekregen. Daarom willen ze dat ik het geld terug betaal. De zus van [betrokkene 2] en [verdachte] hebben mij gebeld opdat ik dat geld zou terugbetalen. Mijn afspraak met [verdachte] was dat ik f 20.500,-- zou krijgen voor het schijnhuwelijk en ik heb f 20.500,-- van [verdachte] gekregen. Met [verdachte] bedoel ik [verdachte] uit [woonplaats] .

7. Een geschrift, zijnde een akte, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Rotterdam, als bijlage XII14 (pg. 891) gevoegd bij het ambtsedig proces-verbaal d.d. 10 augustus 1994, nr PL1600/94-000002 van de politie Hollands Midden, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , brigadier van gemeentepolitie te [woonplaats] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Op 29 maart 1994 is in de gemeente Rotterdam het huwelijk voltrokken van:

[betrokkene 5] , [betrokkene 5] , en [betrokkene 2] , [betrokkene 2] .

Waarvan akte, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Rotterdam.

8. Een geschrift, zijnde gesprekken ivm schijnhuwelijk [betrokkene 5] - [betrokkene 2] , als bijlage XII-30 gevoegd bij het ambtsedig proces-verbaal d.d. 10 augustus 1994, nr PL1600/94-000002 van de politie Hollands midden, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , voornoemd. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

blz 943

1038 708/727 80

[verdachte] wordt gebeld door [betrokkene 2] .

[verdachte] : [betrokkene 5] heeft voor f 21.000,-- getekend, waarvan f 8.000,-- namens [betrokkene 2] aan hem.

[betrokkene 2] : Ik wil de papieren hebben om het geld terug te vragen. [verdachte] , jij moet ook al jouw geld terugbetalen, wat jij hebt ontvangen.

blz 945

1068 041/131 82

[verdachte] wordt gebeld door een vrouw.

[verdachte] zegt dat [betrokkene 2] gisteren met haar heeft gebeld. Als [verdachte] wil krijgen ze geen cent. Alles wat zij zelf heeft gehouden dat krijgen ze niet terug.

4.3. Het Hof heeft een door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte slechts advies heeft gegeven aan onder meer illegalen, die met een Nederlander willen huwen, dat na de huwelijken niet steeds een legale status is verkregen en dat zij geen winst heeft gemaakt, doch alleen een onkostenvergoeding heeft verkregen, zodat niet is voldaan aan artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof verwerpt dit verweer.

De verdachte heeft blijkens de bewijsmiddelen het aangaan van ‘’schijnhuwelijken’’ bevorderd en is daarbij actief behulpzaam geweest. Zij heeft uitvoering gegeven aan de plannen en formaliteiten nodig voor het aangaan van die schijnhuwelijken met onder meer als doel dat de illegale status van één van de gehuwden werd omgezet in een legale status, daarmee de doelstellingen van het vreemdelingenbeleid frustrerend. Het is voor de vervulling van de delictsomschrijving niet van belang of de legale status ook daadwerkelijk bereikt wordt. Wat betreft het winstbejag is voldoende dat het handelen van verdachte gericht was op verrijking. Gebleken is dat verdachte terzake van haar bemiddeling hoge bedragen heeft bedongen, en vermoedelijk ook heeft ontvangen, en dat deze hoger zijn dan de door haar genoemde onkosten, voorzover zij deze heeft vermeld. Bovendien is aannemelijk geworden dat zij in ieder geval in één zaak waar de legale status niet is bereikt geweigerd heeft het haar betaalde bedrag te restitueren. Er is derhalve voldaan aan het bepaalde in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.

5. Beoordeling van het eerste middel

5.1. Art. 197a, eerste lid, Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:

‘’Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.’’

5.2. Het eerste middel strekt ten betoge dat de wetgever met het bepaalde in art. 197a Sr slechts heeft beoogd mensensmokkel strafbaar te stellen en dat die bepaling geen betrekking heeft op het bemiddelen bij een (schijn)huwelijk, ten aanzien waarvan, naar uit de in de toelichting op het middel weergegeven passages uit kamerstukken volgt, de regering voornemens is een voorstel te doen tot afzonderlijke strafbaarstelling. Gelet daarop is, aldus het middel, de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd dan wel heeft het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven.

5.3.1. Art. 197a Sr is in het Wetboek van Strafrecht gevoegd bij de Wet van 24 februari 1993, Stb. 141, zulks ter uitvoering van de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controle van de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1990, 145), verder: de Uitvoeringsovereenkomst.

5.3.2. Art. 27, eerste lid, Uitvoeringsovereenkomst houdt in:

‘’De Overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe te voorzien in passende sancties jegens eenieder die een vreemdeling uit winstbejag helpt of poogt te helpen het grondgebied van een der Overeenkomst sluitende Partijen binnen te komen of aldaar te verblijven, zulks in strijd met de wetgeving van deze Partij betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen.’’

5.4. Gelet op het vorenstaande kan niet als juist worden aanvaard de in het middel betrokken stelling — die geen steun vindt in de tekst van art. 197a Sr en in strijd is met hetgeen kennelijk de bedoeling is geweest van de partijen bij de Uitvoeringsovereenkomst en van de wetgever — dat niet op grond van art. 197a Sr zouden kunnen worden gestraft zij die, zonder de betrokkene behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in Nederland (vgl. Kamerstukken II 1991–1992, 22 142, nr. 8, blz. 9). Daaraan doet niet af dat in de wetsgeschiedenis sprake is van het tegengaan van de activiteiten van ‘’Schlepperorganisationen’’.

5.5. Het bestanddeel ‘’behulpzaam zijn bij’’ moet in art. 197a Sr, zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt, in overeenkomstige zin worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Het gaat er voorzover hier van belang dus om of de betrokkene het (verder) verblijf in Nederland van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt.

5.6. Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen geoordeeld dat de in de bewezenverklaring bedoelde huwelijken zijn gesloten telkens en uitsluitend met het oog op de verkrijging door de illegaal in Nederland verblijvende partner van een verblijfsstatus en dat de verdachte de bewezenverklaarde handelingen, gericht op de totstandkoming van die huwelijken, uit winstbejag heeft verricht. Dit oordeel is, gelet op de hiervoor onder 4.2 weergegeven bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. 's Hofs daarop en op die bewijsmiddelen gegronde oordeel dat de verdachte door die handelingen de in de bewezenverklaring genoemde personen bij hun verblijf in Nederland uit winstbejag behulpzaam is geweest in de zin van art. 197a Sr geeft geen blijk van een onjuiste uitleg van die wetsbepaling.

5.7. Met een beroep op de in de toelichting op het middel genoemde parlementaire stukken stelt het middel verder dat kort gezegd bemiddeling bij schijnhuwelijken niet onder art. 197a Sr valt omdat de wetgever bij herhaling, ook nog nadat deze wetsbepaling was voorgesteld, het voornemen heeft geuit die bemiddeling apart strafbaar te stellen.

5.7.1. Bij de Wet van 23 december 1993, Stb. 707, zijn de art. 197b-197d in het Wetboek van Strafrecht gevoegd. Art. 197b Sr bevatte toen hetzelfde strafmaximum als art. 197a Sr. Art. 197b is een specifieke, tot werkgevers gerichte, bepaling, welke niet het bestanddeel ‘’uit winstbejag’’ kent. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid is de voorgenomen strafbaarstelling van hen die de ‘’schijnrelatievorming of schijnaanvaarding ter fine van toelating tot Nederland begunstigen, bevorderen of vergemakkelijken’’ ter sprake gekomen. Toen is door de regering opgemerkt dat daarbij ‘’ongeveer de constructie van art. 197b en art. 197c Sr’’ zal worden gevolgd (Kamerstukken I 1993–1994, 22 735, nr. 21b, blz. 3).

5.7.2. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 7 oktober 1996, Stb. 1996, 505 — bij welke wet het strafmaximum van art. 197a Sr is verhoogd — is ten aanzien van de art. 197b e.v. Sr nog opgemerkt:

‘’Ten slotte vermelden wij nog dat in de artikelen 197b en volgende van het Wetboek van Strafrecht geen wijzigingen worden aangebracht. Deze artikelen, ingevoegd bij de Wet van 23 december 1993, Stb. 707, tot wijziging van de Vreemdelingenwet en van het Wetboek van Strafrecht, stellen als misdrijf strafbaar de tewerkstelling van wederrechtelijk hier te lande verblijvende vreemdelingen. Ten aanzien van die specifieke vorm van begunstiging van illegaal verblijf zijn de hierboven genoemde redenen tot verhoging van de strafbedreiging niet van toepassing. Het betreft hier immers delicten met een geheel andere achtergrond, ten aanzien waarvan de hoogte van de strafbedreiging nog steeds in overeenstemming kan worden geacht met de ernst van het delict en welke ook overigens de effectiviteit van de rechtshandhaving niet belemmert. De hier voorgestelde wijzigingen van artikel 197a hebben daardoor tot gevolg dat de artikelen 197b en 197c voortaan als een geprivilegieerd delict moeten worden beschouwd ten opzichte van artikel 197a.’’

(Kamerstukken II 1994–1995, 24 269, nr. 3, blz. 3).

5.7.3. Uit het voorafgaande volgt wel dat de wetgever voornemens is (onder meer) ook ten aanzien van de bemiddeling bij schijnhuwelijken specifieke bepalingen in het Wetboek van Strafrecht op te nemen, zoals dat eerder met de art. 197b e.v. Sr ten aanzien van werkgevers is geschied, doch niet dat zodanige handelingen, ook voorzover deze kunnen worden aangemerkt als uit winstbejag verrichte handelingen waarop art. 197a Sr ziet, thans niet strafbaar zouden zijn.

5.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

6. Beoordeling van het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gelet op art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Davids, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Aaftink, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 7 april 1998.