Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:ZD0945

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-1998
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
106.659
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:30
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dood door schuld in het verkeer, art. 6 WVW 1994. Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partijen t.z.v. verschillende schadeposten 1. Is toegewezen schadepost “kosten dierenarts (hond)” het rechtstreekse gevolg van bewezenverklaard feit? 2. Had Hof b.p.’s niet-ontvankelijk had moeten verklaren in vordering tot schadevergoeding wat betreft de voor het eerst in hoger beroep opgevoerde schadepost “kosten notaris”? 3. Kan schadepost “kosten opvragen proces-verbaal” worden aangemerkt als rechtstreekse schade die is toegebracht door bewezenverklaard feit? 4. Afwijzing van voor het eerst in h.b. opgevoerde schadepost “examengeld”.

Ad 1. Uit voor bewijs gebruikt p-v van politie heeft Hof kennelijk afgeleid, hetgeen niet onbegrijpelijk is, dat de aan slachtoffer toebehorende hond t.g.v. bewezenverklaarde gedragingen verwondingen heeft opgelopen waarvoor deze door dierenarts moest worden behandeld, zodat kosten die dierenarts daarvoor in rekening heeft gebracht schade oplevert die rechtstreeks gevolg is van hetgeen is bewezenverklaard. Dit oordeel geeft (gelet op wetsgeschiedenis m.b.t. begrip “rechtstreekse schade”) geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en tot nadere motivering daarvan was Hof niet gehouden.

Ad 2. Ex art. 421.3 Sv kan, v.zv. in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, b.p. zich in h.b. voegen binnen grenzen van haar eerste vordering. In het licht van wetsgeschiedenis bij art. 421.1 Sv moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking aldus worden uitgelegd dat b.p. in h.b. niet alsnog schadeposten mag opvoeren die zij in e.a. niet heeft opgevoerd en evenmin bedrag van de in e.a. wel opgevoerde schadeposten mag verhogen.

Ad 3. HR ambtshalve: Gelet op hetgeen blijkens wetsgeschiedenis onder begrip “rechtstreekse schade” dient te worden verstaan geeft ‘s Hofs kennelijke oordeel dat door b.p.’s gevorderde schadevergoeding t.z.v. schadepost “kosten opvragen proces-verbaal” kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade die is toegebracht door bewezenverklaarde, blijk van onjuiste rechtsopvatting. Hof heeft gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van b.p.’s in zoverre derhalve ten onrechte ontvankelijk geacht en toegewezen. O.g.v. art. 361.5 Sv kan verdachte echter wel worden veroordeeld in deze door b.p.’s gemaakte kosten.

Ad 4. HR ambtshalve: Gelet op wetsgeschiedenis bij art. 421.1 Sv, had hof de b.p.’s niet-ontvankelijk dienen te verklaren in hun gezamenlijke vordering voor wat betreft de voor het eerst in h.b. opgevoerde schadepost “examengeld” i.p.v. die vordering in zoverre af te wijzen.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van b.p.’s. HR wijst vordering b.p.’s toe t.z.v. schadeposten “kosten van lijkbezorging (begrafenis en grafzerk)” en “kosten dierenarts (hond)”.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1998, 449
VR 1998, 167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 1998

Strafkamer

nr. 106.659

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

Op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 april 1996 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats] .

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 28 september 1995 — de verdachte ter zake van 1. primair ‘’overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een verkeersongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van die wet’’ en 2. ‘’overtreding van artikel 7, eerste lid en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994’’ veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de gezamenlijke vordering van de benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van veertienduizendnegenhonderdentwaalf gulden en vierenvijftig cent, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A.A. Franken, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met verwerping van het beroep voor het overige.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

hij op 2 juni 1995 te [plaats] , [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, immers heeft hij daar toen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend met dat motorrijtuig gereden over de [a-straat] , doordat hij toen daar heeft gereden na (kort) tevoren een (aanzienlijke) hoeveelheid alcohol(houdende drank) te hebben genuttigd

en

terwijl het donker was

en

hij niet voortdurend oplettend was op medeweggebruiker(s) die zich voor het door hem bestuurde motorrijtuig bevond(en), (immers heeft hij die [slachtoffer] die zich voor hem op (het verharde gedeelte van) die weg bevond in het geheel niet opgemerkt), waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die [slachtoffer] is gebotst, die daardoor is overleden,

zulks terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol — waarvan hij weet dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen — dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

4.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel:

7. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Zeeland, district Zeeuwsch-Vlaanderen/Terneuzen mutatienummer PL1960/95–317458 (als dossierparagraaf 1.15 deel uitmakend van het ambtsedig proces-verbaal van Politie Zeeland, district Zeeuwsch-Vlaanderen, afdeling Terneuzen, dossiernummer PL1960/95–960719 d.d. 5 juli 1995, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, district Zeeuwsch-Vlaanderen) d.d. 3 juni 1995. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , brigadier van politie, district Zeeuwsch-Vlaanderen. Het houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — als de op 3 juni 1995 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [getuige] , wonend aan de [a-straat 2] te [plaats] :

Gisterenavond omstreeks 22.45 uur hoorden mijn vrouw en ik een harde klap. De klap werd gevolgd door geschreeuw van een mens en een hond. Ik keek uit het slaapkamerraam, dat aan de straatkant is gelegen, en ik zag iemand op straat liggen. Buiten gekomen zag ik direct dat het mijn buurvrouw [slachtoffer] betrof.

5. Beoordeling van het eerste middel

5.1. Uit de desbetreffende akte blijkt dat het cassatieberoep op 8 mei 1996 is ingesteld, terwijl uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat die stukken op 11 april 1997 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen. De Hoge Raad heeft de zaak voor de eerste maal behandeld op 15 september 1997.

5.2. In aanmerking genomen:

a) dat tussen de datum waarop cassatieberoep is ingesteld en de datum waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen ruim elf maanden zijn verstreken;

b) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het onder a) bedoelde tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

5.3. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

5.4. Aangezien bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van bedoelde termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden eerstgenoemd belang moet prevaleren, leidt hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat sprake was van overschrijding van meergenoemde termijn heeft opgelegd.

De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, die straf verminderen als hieronder vermeld.

6. Beoordeling van het tweede middel

6.1. Uit de stukken van het geding blijkt onder meer het volgende:

(i) [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , de kinderen van [slachtoffer] , hebben zich op de voet van art. 51a, tweede en derde lid, Sv ter zake van het aan de verdachte bij inleidende dagvaarding onder 1 telastegelegde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd op de wijze als voorzien in art. 51b, eerste lid, Sv.

(ii) Het ‘’voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’’ houdt in dat de gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen is opgebouwd uit de volgende posten:

‘’1 kosten lijkbezorging (art. 6:108² BW):

2 a begrafenis

f 8.131,94

3 b grafzerk

f 5.211,13

4 kosten dierenarts (hond)

f 354,85

(…)

12 kosten voor rechtsbijstand

f 2.286,97

Kosten opvragen proces-verbaal

f 69,--

Totaal

f 16.053,89’’.

(iii) Bij vonnis van 28 september 1995 heeft de Rechtbank de gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen tot een bedrag van ƒ 13.766, 92 toegewezen en de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt — tot aan het vonnis begroot op ƒ 2.286,97 — en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

(iv) Ter terechtzitting in hoger beroep is mr. M.A.M. Vaessen, de gemachtigde van de benadeelde partijen, verschenen en hij heeft aldaar onder meer verklaard:

Ik handhaaf de in eerste aanleg toegewezen vordering ten bedrage van ƒ 13.766,92 en de kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van ƒ 2286,97. Daarnaast wens ik de vordering uit te breiden met twee posten, te weten: examengeld ƒ 540,=, vanwege het door [benadeelde 1] gemiste examen op 8 juni 1995, en notariskosten ten bedrage van ƒ 1145,62, wegens het verzorgen van de aangifte voor het recht van successie en het opmaken van de benodigde verklaringen van erfrecht. De kosten voor rechtsbijstand belopen inmiddels meer dan ƒ 2286,97. [benadeelde 1] heeft thans een andere baan waarvoor voormeld examen niet dienstig meer is.

(v) Het Hof heeft met betrekking tot de gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen als volgt overwogen en beslist:

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden wonende te [plaats] aan de [a-straat 1] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en hebben een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een totaal bedrag van ƒ 17739,51.

De verdachte heeft voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

De benadeelde partij heeft slechts aangetoond dat door deze tot een bedrag van ƒ 14912,54 schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen. Het meer gevorderde dient echter te worden afgewezen.

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

(…)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden wonende te [plaats] aan de [a-straat 1] , tot een bedrag van ƒ 14.912,54 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af hetgeen de benadeelde partij meer of anders heeft gevorderd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt — tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 2286,97 — en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De toegewezen schadevergoeding heeft kennelijk betrekking op de ‘’kosten van lijkbezorging (begrafenis en grafzerk)’’, de ‘’kosten dierenarts (hond)’’, de ‘’kosten opvragen proces-verbaal’’ en de ‘’kosten notaris’’.

6.2.1. Voorzover in de toelichting op het middel onder 2.2 is bedoeld te betogen dat het Hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun gezamenlijke vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de schadepost ‘’kosten dierenarts (hond)’’, aangezien die schade niet het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde faalt het op grond van het navolgende.

6.2.2. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) houdt met betrekking tot het begrip ‘’rechtstreekse schade’’ onder meer het volgende in:

Aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit is voldaan als in de telastlegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de telastlegging de civiele vordering kan worden onderzocht. Wordt een verdachte bijvoorbeeld vervolgd wegens mishandeling dan zal de benadeelde partij zich kunnen voegen met haar vordering die een rechtstreeks gevolg is van de mishandeling, ongeacht de vraag of deze schade in de telastlegging is vermeld.

(Kamerstukken II 1989–1990, 21 345, nr. 3, blz. 17)

6.2.3. Uit het hiervoor onder 4.2 (zie Hof; red.) weergegeven bewijsmiddel heeft het Hof kennelijk afgeleid, hetgeen niet onbegrijpelijk is, dat de aan het slachtoffer toebehorende hond tengevolge van de aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde gedragingen verwondingen heeft opgelopen waarvoor deze door een dierenarts moest worden behandeld, zodat de kosten die de dierenarts daarvoor in rekening heeft gebracht schade oplevert die het rechtstreeks gevolg is van hetgeen onder 1 primair is bewezen verklaard. Dit oordeel geeft — gelet op hetgeen hiervoor onder 6.2.2 is weergegeven — geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en tot een nadere motivering daarvan was het Hof niet gehouden.

6.3.1. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) houdt met betrekking tot het bepaalde in art. 421, eerste lid, Sv onder meer in:

Overwogen is de benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, de bevoegdheid te geven zich alsnog in het geding in hoger beroep te voegen. Van toekenning van deze bevoegdheid aan de benadeelde partij is afgezien vanwege de nauwe relatie tussen het geding in eerste aanleg en de daarop volgende behandeling in hoger beroep. Bovendien zou een gevolg van toekenning van deze bevoegdheid aan de benadeelde partij zijn dat aan de verdachte een instantie wordt ontnomen. Gelet hierop past het niet om de benadeelde partij de bevoegdheid te geven zich voor het eerst in hoger beroep te voegen.

(Kamerstukken II 1989–1990, 21 345, nr. 3, blz. 33)

6.3.2. Ingevolge het derde lid van art. 421 Sv kan, voorzover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. In het licht van het hiervoor onder 6.3.1 overwogene moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking aldus worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen. Voorzover het middel de klacht behelst dat het Hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun gezamenlijke vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de voor het eerst in hoger beroep opgevoerde schadepost 'kosten notaris' is het derhalve terecht voorgesteld.

7. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

7.1. Gelet op hetgeen blijkens het hiervoor onder 6.2.2 weergegevene onder het begrip ‘’rechtstreekse schade’’ dient te worden verstaan geeft het kennelijke oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoeding ter zake van de schadepost ‘’kosten opvragen proces-verbaal’’ kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade die is toegebracht door het onder 1 primair bewezenverklaarde blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen in zoverre derhalve ten onrechte ontvankelijk geacht en toegewezen. Op grond van hetgeen is bepaald in art. 361, vijfde lid, Sv kan de verdachte echter wel worden veroordeeld in deze door de benadeelde partijen gemaakte kosten.

7.2. Voorts had het Hof, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.3.2 is overwogen, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te verklaren in hun gezamenlijke vordering voor wat betreft de voor het eerst in hoger beroep opgevoerde schadepost ‘’examengeld’’ in plaats van die vordering in zoverre af te wijzen.

8. Slotsom

Nu de Hoge Raad, behoudens hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen, geen grond aanwezig oordeelt waarop het bestreden arrest ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.

9. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen;

Vermindert de opgelegde gevangenisstraf tot acht maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk;

Verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun gezamenlijke vordering tot schadevergoeding voorzover die vordering betrekking heeft op de schadeposten ‘’kosten opvragen proces-verbaal’’, ‘’kosten notaris’’ en ‘’examengeld’’;

Wijst de gezamenlijke vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe tot een bedrag van ƒ 13.697,92 ter zake van de schadeposten ‘’kosten van lijkbezorging (begrafenis en grafzerk)’’ en ‘’kosten dierenarts (hond)’’;

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, te weten ƒ 2.355,97 ter zake van rechtsbijstand en het opvragen van een proces-verbaal, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Davids, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 17 februari 1998.