Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:ZD0917

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-1998
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
106.416
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Doodslag, meermalen gepleegd (art. 287 Sr). Verweer dat orthopedisch schoenmaker onvoldoende deskundig is om als getuige-deskundige verklaringen af te leggen inzake aangetroffen schoensporen, op toereikende gronden verworpen? ’s Hofs oordeel dat getuige-deskundige t.a.v. door hem onderzochte sporen met nodige deskundigheid zijn expertise heeft gegeven "betreffende hetgeen zijne wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is" (art. 343 Sv.), is tegen achtergrond van door verdediging gevoerd verweer ontoereikend gemotiveerd. Weliswaar houdt bestreden arrest in dat getuige-deskundige sinds 1988 dagelijks als orthopedisch schoenmaker werkzaam is en daartoe opleiding heeft gehad, aan welke verklaring hij ttz. in h.b. heeft toegevoegd dat hij per jaar ongeveer 400 mensen aan orthopedisch schoeisel helpt, maar arrest houdt niet in noch blijkt uit p-v van tz. in h.b. dat Hof heeft onderzocht of die deskundigheid zich mede uitstrekt tot onderzoek aan en analyse van schoensporen, en zo ja volgens welke methode hij onderzoek heeft uitgevoerd en waarom hij deze methode betrouwbaar acht alsmede in hoeverre hij in staat is deze methode vakkundig toe te passen. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen is omkleed. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafvordering 343
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 338
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1998, 404 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 1998

Strafkamer

nr. 106.416

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 22 november 1996 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats] , ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘’De Oosterhoek’’ te Grave.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch van 28 november 1995 – de verdachte ter zake van ‘’doodslag, meermalen gepleegd’’ veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf en waarbij is bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

2. Het cassatieberoep

Het beroep – dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak ter zake van de in de telastelegging omschreven feiten voorzover deze zijn toegespitst op art. 289 Sr – is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr J.M. Sjöcrona, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

op 28 februari 1995 te Helmond opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij toen daar opzettelijk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen gestoken met een mes, althans een scherp of puntig voorwerp, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden.

4.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost/Afd. HWE/Helmond West, dossiernummer PL2215/95-000683B, dossierpagina 026, in de wettelijke vorm op 21 april 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Op woensdag 1 maart 1995 omstreeks 23.15 uur ontvingen wij op het hoofdbureau van politie te Helmond een telefonische melding betreffende een onnatuurlijke dood. In het perceel [a-straat 1] te Helmond zouden twee bebloede lijken liggen.

Wij begaven ons onmiddellijk ter plaatse alwaar wij omstreeks 23.25 uur arriveerden. Aldaar werden wij aangesproken door de melder, [betrokkene 1] , die ons meedeelde dat zijn oom en tante, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dood en bebloed in perceel [a-straat 1] lagen.

In het perceel zagen wij dat er twee bebloede lijden op hun buik nabij de tafel in de woonkamer lagen. Wij zagen dat beide lijken in een grote plas bloed lagen. Hierop hebben wij onmiddellijk bedoeld perceel afgesloten en beveiligd ten behoeve van het later te houden onderzoek door de regionale technische recherche.

2. Het onder 1 vermelde proces-verbaal, dossierpagina’s 002 en 003, in de wettelijke vorm op 13 september 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Op woensdag 1 maart 1995, omstreeks 23.35 uur, werden door [verbalisant 1] , brigadier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, zijnde hulpofficier van justitie, de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] inbeslaggenomen.

Op donderdag 2 maart 1995, omstreeks 01.00 uur, werd door [betrokkene 2] , arts van de GG en GD te Helmond, de dood geconstateerd bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Tevens werd door haar de lijkschouw gehouden.

De stoffelijke overschotten van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werden voor een gerechtelijke sectie overgebracht naar het gerechtelijk laboratorium te Rijswijk, alwaar op vrijdag 3 maart 1995 de sectie heeft plaatsgevonden.

3. Het als bijlage bij het hiervoor onder 1 vermelde proces-verbaal gevoegde proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost/Afd. HCE/Technische recherche, mutatienummer PL 2213/95-217205, dossierpagina 030 en volgende, in de wettelijke vorm op 4 september 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Op woensdag 1 maart 1995, omstreeks 23.30 uur, stelden wij, verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , een technisch sporenonderzoek in naar aanleiding van de gewelddadige dood van een man en een vrouw, die op 1 maart 1995, omstreeks 23.00 uur, in perceel [a-straat 1] te Helmond werden aangetroffen.

Ter hoogte van de tafel lag op de vloer het stoffelijk overschot van een vrouw. Rondom het hoofd lag een grote plas bloed. In de rug en in de halsstreek van de vrouw zaten diverse steek/snijverwondingen.

Aan de andere zijde van de tafel lag het stoffelijk overschot van een man. Ter hoogte van de bovenzijde van het linker schouderblad zat een steekverwonding. Verder zagen wij dat de hals over een groot gedeelte was opengesneden. Rondom zijn hoofd en bovenzijde lichaam bevond zich een grote plas bloed.

Wij zagen dat vanuit de rechterzijde, ter hoogte van de rechter heup van het slachtoffer, een loopspoor begon met een rechter schoonafdruk. Wij zagen dat het loopspoor was ontstaan doordat de dader daar in bloed had gestaan en vervolgens met de met bloed besmeurde rechterschoen over de tegelvloer was gaan lopen. De afdruk sporen, te weten drie maal een afdrukspoor van een rechterschoen en twee maal een afdrukspoor van een linkerschoen, werden op de plaats delict veilig gesteld.

Op 2 maart 1995 werd door ons, verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 4] en [verbalisant 6] , een nader onderzoek aan het vrouwelijk slachtoffer ingesteld. Zij droeg onder meer een horloge. Op de rugzijde van het slachtoffer zagen wij meerdere scherprandige steekverwondingen. In de halsstreek en in en bij het linkeroor werden meerdere steek- en snijverwondingen aangetroffen.

Onder meer werd het volgende stuk van overtuiging veiliggesteld: een horloge genummerd S.1.9. Dit stuk van overtuiging werd in de loop van het onderzoek voor verder onderzoek naar het Gerechtelijk Laboratorium overgebracht.

Ook werd door ons op genoemde datum een nader onderzoek aan het mannelijk slachtoffer ingesteld. Wij zagen dat zich in het midden van de rug boven het linker schouderblad een steekverwonding bevond. Verder zagen wij dat de hals van de man over een zeer groot gedeelte was opengesneden en dat het lichaam uitgebreide bloeduitstortingen vertoonde.

Aan de hand van het sporenbeeld kon door ons, verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , onder meer worden geconcludeerd dat het [betrokkene 11] is gezet door een werkschoen van het merk Bata, type Nature, schoenmaat 41. Het betreft een gepatenteerde schoen.

Op 19 april 1995 werd als verdachte van dit misdrijf aangehouden: [verdachte] (het hof leest: [verdachte] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats] aan de [a-straat 1] .

Op 2 mei 1995 werden van de verdachte [verdachte] hoofdhaarmonsters (spoornummer V.2.1) genomen.

De zwarte lederen laarzen, 270M (spoornummer V.2.4), die verdachte bij zijn aanhouding droeg, werden op 21 april 1995 voor verder onderzoek ter beschikking gesteld van [betrokkene 3] van het TNO en [betrokkene 4] , orthopedisch schoenmaker.

Op 2 mei 1995 werd aan de verdachte een paar nieuwe werkschoenen van het merk Bata, Nature, maat 41, ter beschikking gesteld ten behoeve van onderzoek door TNO. De verdachte heeft twee à drie weken met deze schoenen gelopen.

Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 7] , zagen dat het gangspoor begon met een in bloed geplaatste rechterschoen, spoornummer 6, ter hoogte van de rechterheup van het mannelijk slachtoffer, en rechtsom liep naar de achterdeur en eindigde met spoornummer 2. Het gangspoor bestond uit twee linker- (spoornummers 3 en 5) en drie rechterschoenafdrukken (spoornummers 2, 4 en 6) en was met bloed op de tegelvloer geplaatst.

De pasafstand tussen [betrokkene 11] nummer 2 en 3 bedroeg ongeveer 98 centimeter, terwijl de pasafstand tussen 2 en 4 ongeveer 184,5 centimeter en de afstand tussen [betrokkene 11] 4 en 5 ongeveer 96 centimeter bedroeg. Het gangspoor werd met behulp van foto’s van de schoensporen op papier gereconstrueerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Het gereconstrueerde gangspoor werd later ter beschikking gesteld van [betrokkene 3] van TNO te Waalwijk.

Naar aanleiding van bijzonderheden in de schoensporen werd door ons, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 6] , contact opgenomen met [betrokkene 4] , orthopedisch schoenmaker te Eindhoven, die op 11 maart 1995 op de plaats van het delict werd uitgenodigd om met hem de bijzonderheden ten aanzien van de schoensporen verder te onderzoeken.

Gelet op de op diverse plaatsen in de woning aangetroffen bloedspatten kan gesteld worden dat één of beide slachtoffer(s) letterlijk door de woning is/zijn geslagen.

4. Het als bijlage bij het onder 1 vermelde proces-verbaal gevoegde proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost/Afd. EGE/Eindhoven met mutatienummer PL2205/95-009826, dossierpagina 115, in de wettelijke vorm op 4 maart 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Op 3 maart 1995 bevonden wij ons in gezelschap van [betrokkene 1] , een neef van de slachtoffers, en [betrokkene 5] , een vriendin van het slachtoffer [slachtoffer 1] , in het mortuarium van het Elkerliek ziekenhuis te Helmond.

Wij confronteerden hen met de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Zij verklaarden ons eensluidend, dat zij de beide stoffelijke overschotten herkenden als die van [slachtoffer 2] , in leven gewoond hebbende te Helmond op het adres [a-straat 1] , en [slachtoffer 1] .

5. Een als bijlage 4A bij het onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd afschrift van een akte van overlijden, dossierpagina 116, op 16 maart 1995 afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand Helmond, welke akte – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat op 28 februari 1995 te Helmond is overleden [slachtoffer 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936.

6. Een als bijlage 4B bij het onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd afschrift van een akte van overlijden, dossierpagina 117, op 16 maart 1995 afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand Helmond, welke akte – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat op 28 februari 1995 te Helmond is overleden [slachtoffer 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, gehuwd geweest met [betrokkene 6] .

7. Een proces-verbaal van getuigenverhoor op 2 oktober 1995 in de strafzaak tegen [verdachte] door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch, voorzover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als verklaring van de getuige [betrokkene 2] aan de rechter-commissaris:

Ik werk als arts bij de GGD in Helmond. Als zodanig heb ik op 2 maart 1995 lijkschouw verricht bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Aan de hand van mijn eigen bevindingen kan ik zeggen dat het tijdstip van overlijden zeer waarschijnlijk in de periode tussen 24 uur en 48 uur voor het tijdstip van de lijkschouw is gelegen. Het overlijden heeft zeer waarschijnlijk langer dan 24 uur voor de lijkschouw plaatsgevonden, omdat er volledige lijkstijfheid was en omdat de lijkvlekken niet meer wegdrukbaar waren. Toen ik woensdagnacht de lichamen zag liggen was er volgens mij al sprake van volledige lijkstijfheid. Aan de hand van de medische bevindingen kom ik uit op een tijdstip van vermoedelijk overlijden dat is gelegen tussen dinsdag 28 februari rond het middaguur en woensdag 1 maart rond het middaguur.

8. Een rapport nummer 95-099/R024 van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie van Justitie, in de wettelijke vorm op 2 juni 1995 opgemaakt door [betrokkene 7] , arts en patholoog, voor zover dit inhoudt:

als relaas van de rapporteur:

Op 3 maart 1995 heb ik de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936. Daarbij is het navolgende gebleken:

Overdwarse klieving van de voorzijde van de hals, met klieving van de onderhuidse weefsels, beide oppervlakkige en diepe halsaders en linker halsslagader; klieving van het strottehoofd.

Breuken van het tongbeen en strottehoofd.

Langwerpige huidverwonding aan de linkerzijde van het voorhoofd, met bloeduitstorting aan linker wenkbrauw (met z.g. ‘’blauw oog’’); bloeduitstortingen en slijmvliesbeschadigingen.

Breuk van het neusbeen met oppervlakkige huidafschaving.

Steekverwondingen in de rug, ter hoogte van de bovenrand van het schouderblad, reikend tot aan de wervelkolom.

Huidkneuzingen en bloeduitstortingen aan de rechter onderarm en elleboog.

Breuken (met bloeduitstorting) van de 8e rib links en 8e, 9e en 10e rib rechts.

Lucht in de rechter hartkamer (passend bij luchtembolie).

Bij sectie bleken meerdere vormen van geweldsinwerking: er waren steek- en snijverwondingen aan de hals, zoals door steken c.q. snijden met een mes kan zijn opgeleverd. De steekverwonding aan de rug had een lengte van circa 4 centimeter. Er waren breuken van tongbeen en strottehoofd, opgeleverd door inwerking van uitwendig samendrukkend geweld aan de hals. Er waren huidbeschadigingen en uitgebreide bloeduitstortingen aan het hoofd en aan de rechterarm; deze letsels zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld, zoals bijvoorbeeld door één of meerdere slagen en/of één of meerdere keren vallen.

Er waren meerdere ribbreuken, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld aan de borst.

De letsels zijn tijdens het leven toegebracht, gelet op de uitgebreide bloeduitstortingen in de weefsels en de aanwezigheid van lucht in de hartsholte, welke vanuit de geopende halsaders en aldoor door versleping via de bloedvaten is gearriveerd.

Het intreden van de dood is opgeleverd door met name de letsels aan de hals, waarbij het intreden van de dood kan zijn ontstaan na inwerking van uitwendig samendrukkend geweld en snijdend geweld, ieder apart en in combinatie gepaard gaande met massale bloeduitstorting, luchtembolie en weefselschade.

9. Een rapport nummer 95-100/V013 van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie van Justitie, in de wettelijke vorm op 6 april 1995 opgemaakt door [betrokkene 8] , arts en patholoog, voor zover dit inhoudt:

als relaas van de rapporteur:

Op 3 maart 1995 heb ik de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943. Daarbij is het navolgende gebleken:

Er waren meer dan zeventien steek/snijwonden aan het hoofd, de hals, de rugzijde van het lichaam en de handen.

In één van de steek/snijwonden aan de hals waren onder meer de linker halsslagader, de linker halsader, de linker tiende hersenzenuw en het strottehoofd scherprandig gekliefd.

Eén van de steekwonden aan de rug reikte via de achterzijde van de borstkas tot in de linker borstholte en tot in de bovenkwab van de linkerlong.

De organen en weefsels waren bloedarm.

Er waren tekenen van uitwendig bloedverlies.

Het oplopen van deze verwondingen heeft door orgaan- en weefselbeschadiging, gepaard gaande met bloedverlies, het intreden van de dood tot gevolg gehad; de verwondingen aan hals en rug zijn daarbij van de grootste betekenis geweest.

Er waren verspreid aan het lichaam (hoofd, romp, armen en benen) vrij talrijke blauwrode verkleuringen van de huid door onderhuidse bloedingen, met daarin ook oppervlakkige kneuzingen en scheurwondjes in de huid en in het slijmvlies van de lippen.

Het neuskraakbeen was ter plaatse van huidkneuzingen abnormaal beweeglijk.

Deze letsels waren het gevolg van inwerking van uitwendig, mechanisch, hevig botsend geweld zoals door talrijke malen geslagen worden met of slaan tegen een hard voorwerp kan worden opgeleverd.

10. Het van het onder 1 vermelde proces-verbaal deeluitmakende proces-verbaal met mutatienummer PL2209-95-009830, dossierpagina 260, in de wettelijke vorm op 3 maart 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergeven – inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 5], wonende te [woonplaats] , aan de desbetreffende verbalisanten:

Op 28 februari 1995 had ik met [slachtoffer 1] afgesproken dat hij ’s avonds rond etenstijd bij mij zou komen. Omstreeks 19.30 uur belde ik naar [slachtoffer 1] ’s woning, omdat ik me afvroeg waar hij bleef. De telefoon werd niet opgenomen. Ik belde daarom naar het huis van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] nam de telefoon op en vertelde mij dat [slachtoffer 1] bij haar onder de zonnebank lag en dat hij daar nog ongeveer tien minuten onder zou liggen. Toen [slachtoffer 1] omstreeks 20.30 uur nog niet bij mij was, heb ik eerst naar zijn woning gebeld. Daar werd niet opgenomen. Toen heb ik meteen naar [slachtoffer 2] gebeld. Ook daar werd de telefoon niet opgenomen.

11. Het van het onder 1 vermelde proces-verbaal deeluitmakende proces-verbaal met mutatienummer PL2215/95-009826, dossierpagina 180, in de wettelijke vorm op 26 juli 1995 opgemaakt, met als bijlage een printlijst van de telefoonaansluiting 04927-63926 van de woning [woonplaats] , voor zover dit proces-verbaal – zakelijk weergegeven en in onderling verband met de printlijst gelezen – inhoudt:

als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Op 28 februari 1995 te 19.12 uur werd vanuit de woning [woonplaats] naar de telefoonaansluiting van [slachtoffer 2] getelefoneerd. Op dezelfde dag te 20.22 uur werd vanuit de woning van de getuige [betrokkene 5] naar de telefoonaansluiting van café [A] te Helmond getelefoneerd.

De getuige [betrokkene 5] verklaarde dat zij, nadat zij omstreeks 20.30 uur naar de woning van [slachtoffer 1] en daarna naar de woning van [slachtoffer 2] had gebeld en er op beide adressen niet werd opgenomen, naar café [A] had gebeld.

12. Het van het onder 1 vermelde proces-verbaal deeluitmakende proces-verbaal met mutatienummer PL2215/95-009830, dossierpagina 370, in de wettelijke vorm op 5 maart 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 9], op 5 maart 1995 afgelegd aan de desbetreffende verbalisanten:

Ongeveer veertien dagen geleden kwam [slachtoffer 2] vragen of mijn verjaardag, op 28 februari, zou worden verzet in verband met de carnaval. Ik vertelde haar dat ik mijn verjaardag op die dag zelf zou vieren en [slachtoffer 2] vertelde mij dat ze zou komen. Ze kwam namelijk altijd op de verjaardagen van mij en mijn man. Meestal arriveerde ze dan tussen 20.00 en 20.30 uur. Op 28 februari 1995 verscheen ze niet op mijn verjaardag.

13. Het van het onder 1 vermelde proces-verbaal deeluitmakende proces-verbaal met mutatienummer PL2218/95-009830, dossierpagina 342, in de wettelijke vorm op 13 april 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 10], wonende te [woonplaats] aan de [b-straat 1] , aan de desbetreffende verbalisanten:

Ik zat de avond van 28 februari 1995 in de woonkamer van mijn woning achter mijn computer. Het tijdstip weet ik niet meer precies. Ik hoorde dat het rumoerig was op de [b-straat] te [woonplaats] . Ik hoorde toen iemand op straat [naam] of [naam] of iets dergelijks noemen. Omdat mijn dochter [naam] heet, keek ik toen door het raam naar buiten. Ik zag toen een groep jeugdigen over het trottoir voor [B] in de richting van de videotheek fietsen. Hierna zag ik dat ter hoogte van pand [b-straat 2] te [woonplaats] een knaap liep. De laatste van die groep moest nog voor die knaap uitwijken.

Ik zag dat de knaap die daar liep een zwart kort lederen jack en een blauwe spijkerbroek droeg en dat hij blonde haren had. Toen ik die knaap daar zo zag lopen, vermoedde ik dat het de mij bekende [verdachte] betrof. Voor mij wàs hij het gewoon. Het was toen wel donker, doch hij liep in het schijnsel van een lichtmast. Ik zag op een gegeven moment dat [verdachte] hard wegrende in de richting van de videotheek.

14. De verklaring van de getuige [betrokkene 10] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

U houdt mij de verklaring voor die ik op 13 april 1995 tegenover de politie heb afgelegd. Ik blijf bij die verklaring.

Ik zag kinderen lopen èn fietsen.

Ik ben er zeker van dat het 19.48 uur was toen ik naar buiten keek, zoals ik ook al op 12 mei 1995 tegenover de politie heb verklaard.

Ik herken de hier aanwezige verdachte als degene die ik toen daar heb zien lopen. Hij droeg een zwarte korte leren jas en een spijkerbroek.

De rolluiken van mijn woningen waren open. Ik keek door de ruiten van mijn voor mijn huis geparkeerde busje.

Het staat voor 100% voor mij vast dat ik [verdachte] zag.

Het hof begrijpt uit het betoog van de raadsman dat hij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [betrokkene 10] betwist. Het hof wijst dit verweer van de hand.

Gelet op de verklaring welke bedoelde getuige op 13 april 1995 bij de politie heeft afgelegd, alsmede op de door deze getuige ter terechtzitting van het hof op 3 juni 1996 afgelegde verklaring, acht het hof deze geloofwaardig en zal het vorenvermelde verklaringen mitsdien voor het bewijs gebruiken.

15. Het hiervoor onder 3 genoemde proces-verbaal, dossierpagina 053, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 4] aan de desbetreffende verbalisant:

Ik ben sinds 1988 werkzaam als orthopedisch schoenmaker en gevestigd te Eindhoven. Ik heb mijn opleiding als orthopedisch schoenmaker afgerond te ’s-Hertogenbosch. Ik ben dagelijks als orthopedisch schoenmaker werkzaam.

De schoensporen die U mij toont herken ik van de plaats delict te Helmond.

Het viel mij toen op dat de dader de rechtervoet zwaarder belastte.

Verder viel het mij op dat de dader zwaar op de bal van de rechtervoet liep. De rechtervoet van de dader is van lengtemaat iets korter.

Ook viel het mij op dat het geleng, het betreft het gedeelte van het loopvlak tussen de voorzijde van de hak en het begin van de zool, bijzonder klein was.

Dit duidt over het algemeen op holvoeten. Verder viel het mij op dat de dader de voeten plat op de vloer heeft afgezet.

Verder viel het mij op dat hij vermoedelijk holvoeten heeft of in het verleden heeft gehad en zwaar op de bal van de rechtervoet liep.

Gelet op mijn bevindingen ten aanzien van de schoensporen op de plaats delict en de foto’s van die schoensporen en de zwarte leren laarzen M270 en de twee paar zwarte en bruine leren militaire laarzen kan ik verklaren dat het voor mij zeer aannemelijk is dat de drager van de laarzen de schoensporen op de plaats delict te Helmond heeft gezet.

16. De verklaring van de getuige-deskundige [betrokkene 4] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Ik heb zoveel overeenkomsten aangetroffen dat het uitgesloten is dat iemand anders dan [verdachte] die sporen heeft gezet.

17. De verklaring van de deskundige [betrokkene 11] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Uit mijn tweede onderzoeksverslag over de relatie tussen schoensporen en een verdachte, d.d. 16 oktober 1996, dat bezien dient te worden in samenhang met een eerste verslag, gedateerd 22 augustus 1996, waarin kritische opmerkingen zijn gemaakt over verklaringen van de deskundigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en na indiening waarvan ik overleg heb gevoerd met die deskundigen, houdt U mij de volgende passages voor:

pagina 1 (Nieuwe tekst) : ‘’Waarnemingen van [betrokkene 4] aan de militaire laarzen zijn vooral gebaseerd op verkleuringen en slijtage aan de losse binnenzolen. Die horen volgens hem niet oorspronkelijk bij die laarzen en laten daarom zeer waarschijnlijk de sporen zien van de voeten van de verdachte. Er is aan beide binnenzolen te zien dat een vrij groot deel van de binnenzool tussen de hak en de voorvoet niet verkleurd is, vooral aan de mediale kant, wat overeenkomt met een ‘’type holvoet’’ zoals door [betrokkene 4] beschreven werd’’.

pagina 2 (Nieuwe tekst) : ‘’Halverwege pagina 14 wordt over personen met holvoeten vermeld dat het achterste gedeelte van de hak nooit op de grond komt. Het ontbreken van dit gedeelte is ook te zien op schoenspoor 4’’.

pagina 3 (Resultaat van overleg) : ‘’ [betrokkene 4] bedoelt met het doorzakken van de schoen dat het middelste deel van de schoen relatief hoog komt te staan ten opzichte van het voorste deel van de schoen. Dit is een gebruikelijk effect van een holvoet’’.

(Nieuwe tekst) : ‘’Op deze aangepaste verklaring van [betrokkene 4] heb ik geen aanmerking’’.

pagina 3 (Nieuwe tekst) : ‘’In de zin ‘’Bij de door mij onderzochte laarzen heb ik dezelfde afwijkingen aangetroffen als de afwijkingen die ik heb geconstateerd naar aanleiding van de door mij onderzochte schoensporen’’ wordt met ‘’dezelfde afwijkingen’’ bedoeld dat de afwijkingen aan de schoensporen en de afwijkingen aan de binnenzolen van de laarzen corresponderen met dezelfde voetafwijkingen. De voetafwijkingen zijn (vooral) 1) de ‘’type holvoet’’; 2) de zwevende laterale rand van de rechter voorvoet; en 3) de relatief kleine belasting van de rechter hak’’.

pagina 4 (Nieuwe tekst) : ‘’Er wordt over de ‘’type holvoet’’ vermeld ‘’Daarbij is het looppatroon altijd zo dat de persoon grote passen maakt. Ongeveer 10% van de bevolking heeft dezelfde loopafstand en houding als iemand met het type holvoet, doch niet dezelfde afdruk’’.

De term ‘’type holvoet’’ impliceert een ruimere definitie dan een ‘’echte holvoet’’. De schatting van 10% ‘’type holvoeten’’ door [betrokkene 4] lijkt mij realistisch.

Ik blijf bij de inhoud van die teksten, zoals die door U zijn voorgelezen.

pagina 6: ‘’Dit duidt over het algemeen op holvoeten.

en

Verder viel het mij op dat hij vermoedelijk holvoeten heeft.

Dat [betrokkene 4] kenmerken ziet van een holvoet of een soort holvoet, kan op zijn ervaring berusten, maar die is voor mij niet controleerbaar’’.

Ik heb bedoeld daarmee te zeggen dat ik de conclusie van [betrokkene 4] niet uitsluit, maar dat ik die niet kan controleren.

pagina 6: ‘’Ik heb zoveel overeenkomsten aangetroffen dat het uitgesloten is dat iemand anders dan [verdachte] die sporen heeft gezet. Het is niet mogelijk dat de sporen van iemand anders afkomstig zijn.

Er kan hooguit betoogd worden dat er slechts een kleine kans is dat een ander de sporen heeft gemaakt’’.

Ik blijf bij de inhoud van die tekst.

U leest mij de conclusie op pagina 9 van mijn tweede verslag voor, luidende:

‘’Tussen de schoensporen en de (schoenen van) verdachte zijn de volgende overeenkomsten aangetoond:

  1. een brede afdruk van de linker voorvoet;

  2. het ontbreken van een afdruk aan de laterale kant van de rechter voorvoet;

  3. een relatief grote paslengte.

Er zijn geen kenmerken van de sporen en de verdachte gevonden die strijdig zijn met elkaar.

De verklaring van [betrokkene 4] dat de sporen vermoedelijk wijzen op holvoeten of een soort holvoeten, overeenkomend met de voeten van de verdachte, kan juist zijn, maar ik zou er niet van uitgaan voor het aangetoond is. Als het aantoonbaar blijkt, dan is dat relevant voor de zeldzaamheid van de combinatie van de genoemde kenmerken. Ik acht de schatting dat die combinatie bij minder dan 2% van de bevolking voorkomt, een reële schatting.

Er is nòg een kenmerk dat de schoensporen gemeen hebben met de verdachte en dat is het type schoen, de Bata Nature Plus maat 41, mits aangenomen mag worden dat de verdachte maat 41 had.

Onder verwaarlozing van de variabiliteit van schoensporen kan de volgende redenering worden gevolgd.

De slijtage aan de hak wordt geïnterpreteerd als een aanwijzing dat de schoenen in 1994 gekocht zijn. Aangenomen dat er 10% holvoeten zijn en dat die holvoeten niet voornamelijk smal zijn, dan liepen er eind maart 1995 in Nederland ca. 1077 mensen met holvoeten in Bata Nature Plus van de juiste maat, d.w.z. passend bij de schoensporen.

Als daarvan 10% verschil vertoont tussen schoenafdrukken links en rechts passend bij de schoensporen, dan waren er ca. 108 mensen met schoenen en voettypen die de aangetroffen schoensporen veroorzaakt zouden kunnen hebben, ofwel ongeveer 1 op de 138.000.

Tegen de bovenstaande redenering kunnen de volgende bezwaren aangevoerd worden.

  1. De beschrijving van het type voet als vermoedelijk een soort holvoet berust alleen op de ervaring van [betrokkene 4] .

  2. De variabiliteit van schoensporen is niet bekend.

  3. De paslengte kan variëren; hoe zeldzaam de combinatie van schoenmaat en paslengte is, is niet bekend.

  4. De maat van de schoen is een punt van discussie: 41 van het schoenspoor en 41 of 42 van de verdachte.

Als de variabiliteit van schoensporen en paslengte van eenzelfde persoon zo groot wordt verondersteld dat de overeenkomsten tussen sporen en verdachte genegeerd moeten worden, dan blijft alleen nog de zeldzaamheid van de schoen over. Als de slijtage ook alleen in 1995 veroorzaakt kan zijn, dan zou ca. 1 op de 1200 mensen de sporen gemaakt kunnen hebben’’.

Ik handhaaf die conclusie.

De raadsman heeft opgemerkt – zakelijk weergegeven –, dat de getuige-deskundige [betrokkene 4] niet als deskundig genoeg kan worden aangemerkt om uitspraken te doen over de aangetroffen schoensporen en de schoenen van de verdachte en dat aan zijn verklaringen – welke onbetrouwbaar zouden zijn – mitsdien geen enkele waarde kan worden toegekend.

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Op grond van de verklaringen van de getuige-deskundige [betrokkene 4] , die in onderlinge samenhang met de verklaringen van de deskundige [betrokkene 11] voldoende betrouwbaar zijn gebleken en die dan ook voor het bewijs worden gebezigd, is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de aangetroffen schoensporen, gelet op het onderzoek aan de voeten van verdachte en de door hem gedragen schoenen, van de verdachte afkomstig zijn.

18. De verklaring van de getuige-deskundige [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Ik doe al sinds twintig jaar onderzoek naar de relatie van de voet en de afdruk.

Op 24 augustus 1995 heb ik gerapporteerd naar aanleiding van het door mij op 16 mei 1995 verrichte onderzoek naar de schoenafdrukken van de verdachte [verdachte] .

Tijdens het gehele onderzoek heeft verdachte veiligheidsschoenen van Bata, type Nature, maat 41, aan gehad.

U houdt mij bedoeld rapport voor, onder meer inhoudende:

‘’Onder meer werd de paslengte van [verdachte] gemeten. Verzocht werd normale passen te maken. In eerste instantie werd een paslengte gemeten van 74,5 cm, waarbij mogelijk een aanschuiven had plaatsgevonden. Alle andere gemeten passen varieerden van 86 tot 88 cm. De paslengte van 86 tot 88 cm bij normaal lopen is voor een persoon met de lichaamslengte van [verdachte] groot.

Bij hogere wandelsnelheid wordt de paslengte langer. Een proefpersoon met een lichaamslengte van ongeveer 170 cm voerde zijn paslengte op van 72 naar 82 cm.

De paslengte op de plaats delict is volgens uw metingen ongeveer 97 cm. Op grond van bovenstaande metingen is het niet uitgesloten dat de normale paslengte van [verdachte] bij hogere snelheid wordt verlengd tot de paslengte als op de plaats van het delict.

Gezien de resultaten van de uitgevoerde metingen kan worden gesteld dat de verschillen in de afdrukken van [verdachte] overeenstemmen met de verschillen in de afdrukken op de plaats van het delict’’.

Ik blijf bij die conclusie betreffende de paslengte, evenals bij de conclusie voor wat betreft de afdrukken. [verdachte] kan de afdrukken hebben gezet.

De schoen heeft sturende werking. Alle schoenen die ik gezien heb waren standaardschoenen. De kans dat iemand anders een vergelijkbaar verschil links en rechts zou produceren is kleiner dan 10%.

19. De verklaring van de deskundige [betrokkene 11] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

U houdt mij voor dat ik in mijn eerste verslag als commentaar op de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de getuige-deskundige [betrokkene 3] heb geschreven: ‘’De beschreven metingen maken op mij een zorgvuldige indruk. De interpretatie van de schoensporen is minder overtuigend’’, terwijl de nieuwe tekst in mijn tweede verslag luidt: ‘’De beschreven metingen maken op mij een zorgvuldige indruk’’. De opmerking met betrekking tot de interpretatie van de schoensporen heb ik in dat verslag weggelaten, omdat ik na afloop van het mondeling overleg met [betrokkene 3] meer overtuigd was.

20. Een rapport, zaaknummer 95.03.06.009, met bijlagen, van het gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie, in de wettelijke vorm op 5 september 1995 opgemaakt door een viertal gerechtelijk deskundigen, voor zover dit inhoudt:

als relaas van de rapporteur [betrokkene 12]:

Op 7 maart 1995 werd, naar aanleiding van de moord c.q. doodslag te Helmond, onder meer een horloge van het slachtoffer [slachtoffer 2] , nummer S.1.9., ontvangen.

Op 2 mei 1995 werden onder meer hoofdhaarmonsters van de verdachte [verdachte] , nummer V.2.1., ontvangen.

Het hoofdhaarpalet van de verdachte [verdachte] bestond uit:

  • -

    Licht tot midden grijsbruine, egaal gepigmenteerde, gebogen tot golvende haren;

  • -

    Midden grijsbruine, puntvormig gepigmenteerde, gebogen tot golvende haren;

  • -

    Midden grijsbruine, egaal tot puntvormig gepigmenteerde, gebogen tot golvende haren met een verloop naar licht geelbruin in de richting van de top.

Op het horloge ad S.1.9. van het slachtoffer [slachtoffer 2] werd een licht grijsbruine, egaal gepigmenteerde, golvende hoofdhaar, met een kleurovergang circa 1 millimeter vanaf de wortel naar licht geelbruin in de richting van de top aangetroffen.

Conclusie:

Op het horloge ad S.1.9. van het slachtoffer [slachtoffer 2] werd één hoofdhaar aangetroffen waarvan, gezien de gevonden overeenkomsten, niet uit te sluiten is dat deze van de verdachte [verdachte] afkomstig is, mits bij deze verdachte ten tijde van het misdrijf hoofdharen in het palet aanwezig waren die een chemische behandeling (bleking) hadden ondergaan.

21. Het van het onder 1 vermelde proces-verbaal deeluitmakende proces-verbaal met mutatienummer PL2215/95-217205, dossierpagina 284, in de wettelijke vorm op 23 mei 1995 opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 13] aan de desbetreffende verbalisanten:

Ik ben eigenaar van [C] , gelegen te Helmond aan de [c-straat 1] . Ik heb u zojuist een foto aangewezen. De man die daarop staat herken ik als klant van mijn zaak. U zegt mij dat deze man [verdachte] is genaamd. Ik heb vervolgens in mijn kaartenbak gekeken, waarin alle permanenten en coupe soleils worden bijgehouden. Ik heb een kaart van [verdachte] . Op die kaart zie ik dat meneer [verdachte] op 17 november 1994 een permanent heeft gehad in mijn zaak. Een permanent wordt hier uitgevoerd met Dolcia Vital en dit is op basis van waterstofperoxide van 2,8 tot 3%. Van die waterstofperoxide bleken haren altijd.

Normaal gesproken blijft een permanent 5 tot 6 maanden in het haar zitten.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd – samengevat – dat de betrokken haar niet van de verdachte afkomstig kan zijn nu zijns inziens vaststaat dat verdachtes haar op 17 november 1994 is gebleekt en

derhalve de bleking op 28 februari 1995 niet 1 mm doch 3 à 3,5 cm uitgegroeid moet zijn geweest.

Het hof verwerpt dit verweer en neemt de conclusie van het gerechtelijk laboratorium over nu, afgezien van het feit dat onder meer de betrokken haar na 17 november 1994 opnieuw kan zijn gebleekt, deze licht grijsbruine, egaal gepigmenteerde, golvende haar past in het hoofdhaarpalet van de verdachte.

22. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Ik ben voor het eerst met [betrokkene 14] en haar moeder in aanraking gekomen op een feest van de buurtvereniging van de [a-straat] . Dat was op de jaarwisseling van 1992 en 1993. Ik weet nog dat wij op 24 januari 1993 eigenlijk min of meer vaste verkering kregen.

In november 1994 ging onze verkering uit.

Ik kan me herinneren dat ik over [slachtoffer 2] dingen opgeschreven heb. Ik geloof dat ik een keer geschreven heb, dat ik haar wel zou willen of kunnen beroven. Ook heb ik een keer geschreven dat ik haar wel zou willen of kunnen proberen te doden, gezien het feit dat ze probeerde de relatie tussen [betrokkene 14] en mij kapot te maken.

Kort nadat ik [betrokkene 14] met die Griek aantrof heb ik die dingen geschreven, uit jaloezie.

U leest mij uit de op 25 april 1995 door [betrokkene 14] tegenover de politie afgelegde verklaring voor:

‘’Ik weet nog dat [verdachte] op een keer nadat mijn moeder en ik weer een fikse ruzie hadden gehad tegen mijn moeder zei: ‘’Ik maak je nog wel eens af, kutwijf’’.

Misschien heb ik dat wel eens in een opwelling gezegd.

Ik ben op 28 februari bij [slachtoffer 2] aan de deur geweest.

U zegt mij dat ik blijkens een door de politie opgesteld overzicht op verschillende momenten heb verklaard:

  • -

    dat ik nooit in het bezit ben geweest van Bata-schoenen,

  • -

    dat ik wel in het bezit ben geweest van Bata-schoenen, maar daarover gelogen heb om mijn broer [betrokkene 15] te beschermen,

  • -

    dat ik op 14 of 15 februari 1995 de schoenen heb achtergelaten bij Beckers in Deurne,

  • -

    dat ik op 28 februari 1995 wel in het bezit was van de Bata-schoenen en dat ik deze op donderdag 9 maart te 22.30 uur opzettelijk bij Beckers heb achtergelaten en op mijn sokken naar huis ben gegaan, omdat ik door een ‘’dikke inpakster’’ aldaar gezien was,

  • -

    dat ik de schoenen weggedaan heb omdat ik zenuwachtig was geworden vanwege het onderzoek; dat ik in de ‘’AKTUEEL’’ gelezen had dat het om Bata-schoenen ging, later dat ik dit gehoord had en weer later dat ik dit mij zelf had aangepraat.

U zegt mij vervolgens dat ik op de vraag van de rechtbank waarom ik de schoenen heb weggedaan, heb geantwoord dat ik bang was dat de verdenking van de moorden op mij zou vallen, dat ik de schoenen bij de firma Beckers heb achtergelaten en dat ik over de schoenen heb gelogen in verband met het getuigschrift van mijn broer.

Voorts heb ik tegenover de politie op 24 april 1995 verklaard:

‘’Ik erken dat ik in paniek was op het moment dat ik besliste deze schoenen weg te doen. Ik heb daarover tegenover u gelogen omdat ik bang was voor de gevolgen, waarmee ik bedoel de dubbele moord van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ’’.

U vraagt mij waarom ik zoveel verschillende verklaringen heb afgelegd. Ik was bang dat ik verdacht zou worden.

4.3. In aansluiting op de aldus weergegeven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof nog overwogen:

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof is tot zijn beslissing gekomen met name op grond van:

  • -

    de door verdachte afgelegde verklaringen over de slechte relatie die hij met het slachtoffer [slachtoffer 2] had;

  • -

    het onderzoek naar de op de plaats van het delict aangetroffen schoenafdrukken in bloed van werkschoenen Bata Nature, het gangspoor en het vergelijkende onderzoek van de schoenafdrukken en de loop van verdachte, zoals naar voren gekomen uit de rapporten en verklaringen van de getuigen-deskundigen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] in samenhang met de onderzoeksverslagen en de verklaring ter terechtzitting van de deskundige [betrokkene 11] ;

  • -

    het feit dat verdachte, na aanvankelijk leugenachtige verklaringen daaromtrent te hebben afgelegd, heeft toegegeven dat hij op 28 februari 1995 werkschoenen Bata Nature in zijn bezit had en geen redelijke verklaring heeft gegeven voor het zich ontdoen van die schoenen op een tijdstip waarop het aan buitenstaanders nog niet bekend was dat de op de plaats van het delict aangetroffen schoensporen afkomstig waren van schoenen van dit merk en type;

  • -

    de conclusie in het rapport van het gerechtelijk laboratorium met betrekking tot de op het horloge van het slachtoffer [slachtoffer 2] aangetroffen haar, dat niet uit te sluiten is dat deze haar van verdachte afkomstig is, mits bij de verdachte ten tijde van het misdrijf hoofdharen aanwezig waren die een chemische behandeling (bleking) hadden ondergaan, in samenhang met de verklaring van Der Kinderen over de haarbehandeling van verdachte in november 1994;

  • -

    het tijdvak waarbinnen de misdrijven zijn gepleegd, te weten op 28 februari 1995 tussen 19.12 uur (toen getuige [betrokkene 5] voor het laatst telefonisch contact had met [slachtoffer 2] in haar woning) en ongeveer 20.30 uur (toen getuige [betrokkene 5] opnieuw naar de woning van [slachtoffer 2] belde, maar de telefoon niet werd opgenomen, terwijl [betrokkene 9] heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] voor dat tijdstip bij zich thuis verwachtte, maar [slachtoffer 2] niet gekomen is);

  • -

    de verklaring van de getuige [betrokkene 10] dat hij verdachte op 28 februari 1995 om 19.48 uur ter hoogte van het pand [b-straat 2] te Helmond heeft zien lopen.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de verdachte door de politie onder zeer zware druk is gezet.

Het hof verstaat het verweer van de raadsman aldus dat de verdachte, doordat hij door de politie onder zeer zware druk zou zijn gezet, niet in vrijheid zou hebben kunnen verklaren en dat dat de reden zou zijn van zijn wisselende verklaringen onder andere met betrekking tot de schoenen.

Het hof verwerpt dit verweer. De getuigen [betrokkene 16] en [betrokkene 17] hebben ter terechtzitting van het hof van 3 juni 1996 gelijkluidend verklaard dat de verdachte nooit op enigerlei wijze onder druk is gezet en alle verklaringen in vrijheid heeft afgelegd, en ook overigens is uit niets gebleken dat de verdachte door de politie onder zodanige druk is gezet dat hij niet in staat was in vrijheid te verklaren. Dat de verdachte in het opsporingsonderzoek wisselende verklaringen heeft afgelegd, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet het gevolg van enige door de politie uitgeoefende druk zijn geweest.

5. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het tweede middel

6.1. Het middel bestrijd met een aantal motiveringsklachten de bewezenverklaring dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een dubbele doodslag. Deze klachten dienen volgens de toelichting op het middel te worden gezien tegen de achtergrond van de omstandigheid dat ‘’louter ‘circumstantial evidence’ het Hof ertoe heeft geleid aan te nemen dat het ten laste gelegde kan worden bewezenverklaard’’, omdat direct bewijs dat de verdachte de dader is, ontbreekt.

6.2. In bewijsmiddel 16 in het bestreden arrest wordt de verklaring van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde orthopedisch voet- en schoentechniker [betrokkene 4] als getuige-deskundige weergegeven, voorzover inhoudende:

‘’Ik heb zoveel overeenkomsten aangetroffen dat het uitgesloten is dat iemand anders dan B. (de verdachte) die sporen heeft gezet’’.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft de raadsman de deskundigheid van [betrokkene 4] op dit punt bestreden omdat hij als orthopedisch schoenmaker niet voldoende deskundig zou zijn om uitspraken te doen over de aangetroffen schoensporen, zodat aan diens verklaringen, waarvan de betrouwbaarheid wordt betwist, geen waarde kan worden toegekend.

Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

‘’ Op grond van de verklaringen van de getuige-deskundige [betrokkene 4] , die in onderlinge samenhang met de verklaringen van de deskundige [betrokkene 11] voldoende betrouwbaar zijn gebleken en die dan ook voor het bewijs worden gebezigd, is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de aangetroffen schoensporen, gelet op het onderzoek aan de voeten van verdachte en de door hem gedragen schoenen, van de verdachte afkomstig zijn’’.

6.3. Onderdeel 13 van het middel voert aan dat het Hof aldus de bestrijding van de deskundigheid van [betrokkene 4] om uitspraken te doen over de aangetroffen schoensporen, op ontoereikende gronden heeft verworpen.

6.4. Het onderdeel is gegrond. ’s Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de getuige-deskundige [betrokkene 4] ten aanzien van de door hem onderzochte sporen met de nodige deskundigheid zijn expertise heeft gegeven ‘’betreffende hetgeen zijne wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is’’ (art. 343 Sv.), is in een zaak als de onderhavige tegen de achtergrond van het door de verdediging gevoerde verweer ontoereikend gemotiveerd. Weliswaar houdt het bestreden arrest (bewijsmiddel 15) in dat [betrokkene 4] sinds 1988 dagelijks als orthopedisch schoenmaker werkzaam is en daartoe een opleiding heeft gehad in ’s-Hertogenbosch, aan welke verklaring hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegevoegd dat hij per jaar ongeveer vierhonderd mensen aan orthopedisch schoeisel helpt, maar het arrest houdt niet in, noch blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, dat het Hof heeft onderzocht of die deskundigheid zich mede uitstrekt tot het onderzoek aan en de analyse van schoensporen, en zo ja volgens welke methode hij het onderzoek heeft uitgevoerd en waarom hij deze methode betrouwbaar acht alsmede in hoeverre hij in staat is deze methode vakkundig toe te passen.

Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat de bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen is omkleed.

7. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en het tweede middel geen verdere bespreking behoeft.

8. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Schipper en Aaftink, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 27 januari 1998.