Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:ZC2669

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-1998
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
16591 (C97/070)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Ongelijke behandeling van schuldeisers (selectieve betaling). Voldoening van tot de groep van de schuldenaar behorende schuldeisers met voorrang boven niet tot zijn groep behorende schuldeisers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1998, 727 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 1998, 124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 1998

Eerste Kamer

Nr. 16.591 (C97/070HR)

AS

in de zaak van:

de vennootschap naar het recht van de staat Texas CORAL NAVIGATION COMPANY INC., gevestigd te Houston, Texas, Verenigde Staten van Amerika,

EISERES tot cassatie, advocaat: voorheen mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, thans mr S.A. Boele,

tegen

STALT HOLDING B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr M. Ynzonides.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Coral - heeft bij exploit van 27 augustus 1987 verweerster in cassatie - verder te noemen: Stalt - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd Stalt te veroordelen om aan Coral te betalen US $ 471.148,91, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlandse courant tegen de koers van de dag van betaling, alsmede een bedrag van ƒ 13.459,93, beide bedragen te ver- meerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 augustus 1987, en de te dezen gelegde conservatoire (derden-)beslagen van waarde te verklaren.

Stalt heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd:

1. Coral te veroordelen om aan Stalt te vergoeden alle schade die zij heeft geleden als gevolg van de op 19 augustus 1987 gelegde beslagen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 1988;

2. indien en voor zover Stalt in conventie wordt veroordeeld om aan Coral te voldoen uit hoofde van schade wegens kosten ten behoeve van rechtsbijstand ƒ 13.459,13 dan wel enig ander bedrag dat op deze titel dient te worden voldaan, Coral te veroordelen om aan Stalt te voldoen een bedrag van ƒ 8.931,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 1988.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 februari 1990 in conventie de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door Stalt, en in reconventie de zaak aangehouden. Bij tussenvonnis van 8 mei 1991 heeft de Rechtbank in conventie de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door Stalt, en in reconventie de zaak aangehouden.

Tegen beide tussenvonnissen heeft Stalt hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Coral heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 27 januari 1994 heeft het Hof een comparitie van partijen bevolen. Het Hof heeft bij eindarrest van 26 november 1996 in het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel in conventie beide vonnissen vernietigd en de vorderingen van Coral afgewezen, en in reconventie de vordering van Stalt tot schadevergoeding op te maken bij staat toegewezen. Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het Hof heeft Coral beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Stalt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam.

3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(i) Op 31 januari 1985 hebben Coral en Forsythe International NV/SA (hierna: Forsythe) een bevraovchtinereen- komst voor het vervoer van olie van de Verenigde Staten naar Groot-Brittannië gesloten. Voor dit vervoer charterde Forsythe een schip van Coral.(ii) Forsythe is statutair gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen, en heeft een filiaal in Fribourg, Zwitserland. Zij is een 100% dochtermaatschappij van Stalt.(iii) De levering van de olie naar Groot-Brittannië is niet doorgegaan. Tussen 26 februari 1985 en 5 maart 1985 hebben partijen onderhandeld over afkoop van de bevrachting. Op 6 maart 1985 is een overeenkomst tussen hen tot stand gekomen, waarin onder meer de door Forsythe aan Coral te betalen vracht en de verschuldigde bedragen aan "cancellation fee" en overliggeld werden vastgelegd.(iv) Forsythe heeft de overeengekomen vracht betaald, maar heeft de bedragen aan "cancellation fee" en overliggeld voldaan.(v) De overeenkomst van 6 maart 1985 bevatte een arbitraal beding. Coral heeft op 1 april 1985 een arbitrage aanhangig gemaakt, waarin zij betaling van de overeengekomen bedragen aan overliggeld en "cancellation fee", te vermeerderen met rente, vorderde.(vi) Bij arbitraal vonnis van 2 maart 1987 is Forsythe veroordeeld tot betaling van US $ 454.681,76, te vermeerderen met rente. Ondanks pogingen van Coral om haar vordering te innen, is aan dit vonnis niet voldaan.(vii) In het begin van 1985 heeft Forsythe besloten al haar activiteiten te beëindigen. In het kader daarvan heeft zij haar 100% aandelenpakket in Forsythe International Cyprus Ltd. aan Stalt overgedaan. Forsythe zelf is nog steeds een 100% dochtermaatschappij van Stalt.

3.2.1 Coral vordert in het onderhavige geding veroordeling van Stalt tot betaling van de krachtens het arbitrale vonnis verschuldigde bedragen, vermeerderd met de kosten van recht bijstand, en vanwaardeverklaring van door Coral gelegde beslagen. Stalt vordert in reconventie vergoeding van de schade die zij lijdt door de gelegde beslagen.

Coral grondt haar vordering op de stelling dat Stalt onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. De Rechtbank heeft in haar vonnis van 8 mei 1991 (rov. 3) overwogen dat Coral aan haar stelling dat Stalt onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, het volgende ten grondslag heeft gelegd:

I. Stalt heeft Forsythe aangemoedigd althans toegestaan handelingen te verrichten, waarvan Stalt als volgt een verwijt kan worden gemaakt: a. De verkoop van de Cyprus-aandelen had niet mogen plaatsvinden omdat daardoor de activa van Forsythe voor Coral onbereikbaar werden, zodat verhaal door Coral werd gefrustreerd; althans had deze overeenkomst niet mogen worden uitgevoerd.b. Die aandelen hadden - als er toch een bona fide reden tot de transactie was - moeten worden verkocht tegen de werkelijke waarde, die vermoedelijk hoger was dan de overeengekomen prijs.c. De activa van Forsythe hadden bij de beëindiging van de bedrijfsvoering mede moeten worden aangewend voor tenminste gedeeltelijke voldoening van de vorderingen van Coral, althans voor reservering voor die vorderingen in afwachting van de uitslag van de arbitrage; in het bijzonder is de opbrengst van de Cyprus- aandelen onjuist besteed.

II. Stalt heeft bij het aangaan op naam van Forsythe van de overeenkomst waarbij een schip van Coral werd gecharterd,

Forsythe als kredietwaardige marktpartij gepresenteerd, terwijl Forsythe "slechts voor spek en bonen meedraaide in het Stalt- concern" en "slechts in business kon blijven dank zij een bankkrediet van meer dan US$ 2.500.000 dat aan de bank (...) werd gegarandeerd door Forsythe B.V.", een andere maatschappij van de Staltgroep.

3.2.2 De Rechtbank heeft de hiervoor in 3.2.1 onder I.a, I.b, en II omschreven verwijten niet als juist aanvaard, daartoe overwegende, samengevat weergegeven, dat de verkoop van de Cyprus-aandelen had plaatsgevonden voordat de bevrac tingsovereenkomst werd gesloten, dat de daarvoor door Stalt aan Forsythe betaalde prijs alleszins redelijk was, en dat niet valt in te zien dat de situatie bij Forsythe zo ernstig was dat Stalt het al niet meer tot die transactie had mogen laten komen, noch ook dat Stalt tegenover Coral de financiële positie van Forsythe te gunstig heeft voorgesteld.

Het onder I.c genoemde verwijt echter wel gegrond bevindend, heeft de Rechtbank geoordeeld dat Stalt jegens Coral onrechtmatig heeft gehandeld en deswege aansprakelijk is.

Zij baseerde dit oordeel op de volgende, samengevat weergegeven gronden: - Stalt heeft bij de beëindiging van de activiteiten van haar dochtermaatschappij Forsythe - in welke beëindiging Stalt kennelijk de hand had - toegestaan, zo niet het ertoe geleid, dat met uitzondering van Coral alle handelscrediteuren volledig werden betaald, zonder dat voor Coral, wier vordering nog niet (geheel) vaststond, een voorziening was getroffen;

- het niet treffen van een voorziening bracht Coral in een nadeliger positie, waarbij zij achtergesteld werd bij de andere handelscrediteuren;

- Stalt was, gelet op haar betrokkenheid bij de beëindiging van de bedrijfsvoering, in staat en mede daarom verplicht te regelen dat de bedrijfsbeëindiging niet "juist over rug van Coral" plaatsvond.

Wat de omvang van de schadevergoeding betreft, overwoog de Rechtbank dat het feit dat alle andere handelscrediteuren volledig zijn betaald, doet vermoeden dat de positie van Forsythe binnen de Staltgroep van dien aard was dat zij en de andere maatschappijen van deze groep jegens Coral met elkaar te vereenzelvigen zijn en Stalt de volledige schuld van Forsythe aan Coral als haar eigen schuld dient te voldoen;

zou dat vermoeden niet juist zijn, dan zag het naar het oordeel van de Rechtbank ernaar uit dat Coral datgene als schadever- goeding toekomt wat haar bij evenredige behandeling van de handelscrediteuren zou zijn uitgekeerd. In verband hiermee stelde de Rechtbank Stalt in de gelegenheid feiten en omstan- digheden te stellen - en met bescheiden te staven - die kunnen leiden tot ontzenuwing van voormeld vermoeden, en om - indien zij inderdaad feiten en omstandigheden ter ontzenuwing stelt - tevens te stellen wat bij evenredige behandeling van de han- delscrediteuren de voorziening voor Coral had behoren te zijn.

3.2.3 Het Hof heeft zich niet met de hiervoor in 3.2.2 weerge- geven oordelen van de Rechtbank verenigd, de vordering van Coral alsnog afgewezen, en de reconventionele vordering van Stalt toegewezen.

Het Hof nam in zijn rov. 3 tot uitgangspunt dat indien een vennootschap behoort tot een groep van vennootschappen, jegens crediteuren van die vennootschap het handelen van de moedervennootschap onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn, doch verwierp op de in rov. 4 uiteengezette gronden het stand- punt van de Rechtbank dat Stalt gehouden was erop toe te zien dat Coral niet werd achtergesteld bij andere crediteuren.

Naar 's Hofs oordeel verzet geen rechtsregel zich ertegen dat de schuldenaar "onder omstandigheden als waarvan te dezen sprake is", schuldeisers ongelijk behandelt. "Reeds daarom", aldus het Hof, "valt niet in te zien dat Stalt als moedervennootschap van Forsythe gehouden was erop toe te zien dat Forsythe haar crediteuren gelijk zou behandelen". Hieraan voegde het Hof nog toe dat aan dit oordeel niet afdoet dat, zoals Coral heeft betoogd, Stalt bij het namens Forsythe sluiten van de annuleringsovereenkomst van 6 maart 1985 wist of behoorde te weten dat Forsythe de verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen.

3.3 Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat geen klacht - is gericht tegen 's Hofs rov. 3 en klaagt erover dat het Hof in zijn motivering is tekortgeschoten voor zover het bij zijn weergave van de grondslag van Corals vordering heeft miskend dat Coral óók aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (a) dat de opbrengst van de Cyprus-aandelen ten onrechte uitsluitend ter voldoening van een intercompny-voe- ring is aangewend, en (b) dat Forsythe haar crediteur Coral bewust, en op basis van subjectieve criteria, bij andere crediteuren ten achter heeft gesteld.

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van de bestreden overweging en kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft de grondslag van de vordering van Coral slechts globaal en in overeenstemming met het door de Rechtbank in haar rov. 3 overwogene (zie hiervoor in 3.2.1) weergegeven. Hieruit valt niet af te leiden dat het Hof de bedoelde stellingen van Coral niet in de van haar afkomstige gedingstukken zou hebben gelezen.

3.4.1 Onderdeel 3 keert zich tegen 's Hofs rov. 4. De in subonderdeel 3.1 aangevoerde algemene klacht wordt in de subonderdelen 3.2 - 3.4 gespecificeerd en behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.

Subonderdeel 3.2 bouwt in de eerste alinea voort op onderdeel 2 en moet in zoverre dus het lot van dat onderdeel delen.

3.4.2 Subonderdeel 3.2 gaat in zijn tweede alinea uit van de juiste veronderstelling dat het Hof de hiervoor in 3.3 met (a) en (b) aangeduide stellingen kennelijk niet relevant heeft geacht, en klaagt dat het Hof aldus van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan omdat die stellingen, "al dan niet in samenhang met elkaar en/of de andere omstandigheden van het onderhavige geval, tot gevolg (kunnen) hebben, re pectievelijk ertoe (kunnen) bijdragen, dat Forsythe en/of Stalt onrechtmatig hebben gehandeld jegens Coral".

Coral heeft blijkens de stukken van het geding behalve de bedoelde stellingen ook - onder meer - aan haar vordering ten grondslag gelegd: (c) dat Stalt zich intensief heeft bemoeid met de gang van zaken bij Forsythe en de hand heeft gehad in de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van Forsythe;

(d) dat Stalt heeft bewerkstelligd, althans heeft toegestaan, dat met uitzondering van Coral alle handelscrediteuren van Forsythe volledig zijn voldaan;

(e) dat de activa van Forsythe, die overbleven nadat die handelscrediteuren waren voldaan, zijn aangewend om vorderingen van zustermaatschappijen zoveel mogelijk te voldoen;

(f) dat de directie van Forsythe bij het voldoen van die handelscrediteuren en zustermaatschappijen wist, althans behoorde te weten, dat niets zou resteren voor betaling van Corals vorderingen.

Indien de juistheid van de met (a) tot en met (f) aangeduide stellingen van Coral, waaromtrent het Hof niets heeft beslist, komt vast te staan, kan dit slechts tot de slotsom leiden dat Forsythe door het achterstellen van de vordering van Coral onrechtmatig jegens Coral heeft gehandeld, en dat Stalt op haar beurt onrechtmatig jegens Coral heeft gehandeld door de handelwijze van Forsythe in de hand te werken of toe te staan. Dit heeft het Hof miskend. In zoverre slaagt subonderdeel 3.2.

3.4.3 Subonderdeel 3.3 klaagt dat het Hof zijn oordeel dat

Stalt als moedervennootschap niet gehouden was erop toe te zien dat Forsythe haar crediteuren gelijk zou behandelen, onjuist althans onvoldoende heeft gemotiveerd door het hierop te baseren dat "geen rechtsregel er zich tegen verzet dat de schuldenaar onder omstandigheden als waarvan te dezen sprake is schuldeisers ongelijk behandelt".

Deze klacht treft doel. In het midden kan blijven welke omstandigheden in het algemeen kunnen meebrengen dat een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, onrechtmatig handelt door zijn schuldeisers ongelijk te behandelen. In ieder geval kan met betrekking tot een vennootschap die, zoals Forsythe, tot een groep van vennootschappen behoort, niet de regel worden aanvaard dat deze vennootschap, wanneer zij heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen, in beginsel de vrijheid zou hebben om de tot haar groep behorende crediteuren - anders dan op grond van door de wet erkende redenen van voorrang - te voldoen met voorrang boven niet tot haar groep behorende crediteuren. In het hier omschreven geval handelt die vennootschap slechts dan niet in strijd met hetgeen haar naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, indien de voorkeursbehandeling van tot de groep behorende crediteuren op grond van bijzondere, door de vennootschap te stellen en bij betwisting te bewijzen omstandigheden kan worden gerechtvaardigd.

3.4.4 Subonderdeel 3.4 gaat ervan uit dat het Hof aan zijn oordeel mede ten grondslag heeft gelegd dat Forsythe op het tijdstip respectievelijk de tijdstippen waarop zij uit de opbrengst van de Cyprus-aandelen betalingen in mindering op haar schulden aan groepsmaatschappijen verrichtte, niet ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat andere schuldeisers, althans Coral, onvoldaan zouden blijven. Voor dit uitgangspunt is in 's Hofs arrest geen feitelijke grondslag te vinden, zodat het subonderdeel niet tot cassatie kan leiden.

3.5 Onderdeel 4 strekt ten betoge dat het Hof in zijn rov. 4 wel is ingegaan op de stelling van Coral dat Stalt, gelet op haar betrokkenheid bij de beëindiging van dee- drijfsvoering van Forsythe, erop had moeten toezien dat Forsythe haar crediteuren gelijk zou behandelen, maar ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van Coral dat Stalt op grond van een eigen plicht gehouden was maatregelen te treffen, nu zij zelf - namens Forsythe - de annuleringsovereen- komst van 6 maart 1985 had gesloten en op dat moment wist of behoorde te weten dat Forsythe de verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen.

Het onderdeel treft doel. Laatstbedoelde stelling is blijkens de gedingstukken door Coral aangevoerd en is van belang voor de beoordeling van de vraag of Stalt onrechtmatig jegens Coral heeft gehandeld. Dit heeft het Hof miskend.

3.6 Onderdeel 5 is gericht tegen hetgeen het Hof in zijn rov. 7 heeft overwogen naar aanleiding van de door Coral in het voorwaardelijk incidenteelap pel aangevoerde grieven ter bestrijding van het oordeel van de Rechtbank dat de Cyprus- aandelen door Forsythe aan Stalt zijn verkocht voordat de bevrachtingsovereenkomst werd gesloten. Het Hof zou daarbij het betoog van Coral onbegrijpelijk hebben uitgelegd en met name hebben miskend dat Coral wel degelijk heeft aangevoerd dat de wilsovereenstemming ten aanzien van die aandelentrs- actie pas aanwezig was nadat de bevrachtingsovereenkomst werd gesloten, althans nadat deze werd ontbonden.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft kennelijk het standpunt van Coral aldus begrepen, dat volgens Coral pas wilsovereenstemming is ontstaan op het moment waarop de overeenkomst tot verkoop van de Cyprus-aandelen werd uitgevoerd. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk in het licht van punt 65 van Corals memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, waarin Coral aanvoerde dat "de aandelentransactie (...) eerst tenminste negen maanden later - zes maanden nadat de annuleringsovereenkomst (...) was afgesloten - haar beslag (heeft) gekregen".

3.7 Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs arrest niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen. Na verwijzing zal ook de in subonderdeel 3.4, slot, aan de orde gestelde vraag hoe de bewijslast in het onderhavige geval behoort te worden verdeeld, nader moeten worden bezien. Uitgangspunt zal daarbij dienen te zijn dat, indien Coral de juistheid van haar hiervoor in 3.4.2 met (c) aangeduide stelling bewijst,

Stalt en Forsythe geacht moeten worden op het tijdstip respectievelijk de tijdstippen waarop Forsythe uit de opbrengst van de Cyprus-aandelen betalingen in mindering op schulden aan groepsmaatschappijen verrichtte, over dezelfde gegevens beschikten en gelijkelijk in staat waren aan de hand daarvan te beoordelen of al dan niet ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat Coral onvoldaan zou blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 november 1996;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt Stalt in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Coral begroot op ƒ 715,31 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter, de raadsheer in buitengewone dienst Royer en de raadsheren Korthals Altes, Neleman en Herrmann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 12 juni 1998.