Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AB9540

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-1998
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
3833
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1998:AB9540
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kennisgeving niet verdere vervolging in de zin van art. 245 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1999, 106 met annotatie van A.C. 't Hart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 1998

Strafkamer

nr. 3833 Besch.

LD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 26 oktober 1997 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

1.1. De Rechtbank heeft niet-ontvankelijk verklaard het door [klaagster] ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven gelden.

1.2. De bestreden beschikking is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door klaagster. Namens deze heeft mr J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat het beroep zal worden verworpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van het Openbaar Ministerie is genomen nog ingekomen schrijven van de raadsman, gedateerd 3 juli 1998.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel richt zich met motiveringsklachten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van klaagster. Daartoe wordt aangevoerd:

- dat de Rechtbank de mededeling van de Officier van Justitie van 7 januari 1997 onbegrijpelijk heeft aangemerkt als kennisgeving van niet verdere vervolging;

- dat de Rechtbank met het oog op de aanvang van de termijn, genoemd in de laatste volzin van art. 552a, tweede lid, Sv heeft verzuimd vast te stellen wanneer deze mededeling ter kennis van klaagster is gekomen terwijl zulks evenmin uit de stukken kan blijken; en

- dat de Rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom, niettegenstaande het procesverloop zoals weergegeven in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2, derde en vierde alinea, 9 september 1997 als datum van indiening van het klaagschrift is aangemerkt.

3.2. Het klaagschrift houdt onder meer in:

Dit klaagschrift werd eerder ingediend in juni 1997 en zou behandeld worden ter zitting van 9 juli 1997 (zie kopie oproep); dit klaagschrift werd op of omstreeks 9 juli 1997 ingetrokken, omdat Justitie aan verzoekster cq haar gemachtigde de toezegging deed het geld aan haar vrij te geven. Deze toezegging bleek achteraf op een intern misverstand bij het parket te berusten.

3.3. De Rechtbank heeft de niet-ontvankelijkverklaring van klaagster als volgt gemotiveerd:

Uit de overgelegde stukken en uit het verhandelde ter zitting is gebleken:

- dat de officier van justitie klaagster op 7 januari 1997 schriftelijk heeft medegedeeld dat zij terzake van de strafbare feiten waarvan zij aanvankelijk werd verdacht niet verder strafrechtelijk zal worden vervolgd met welke kennisgeving de zaak tegen klaagster is geëindigd;

- dat het onderhavige klaagschrift tegen inbeslagneming eerst op 9 september 1997 is ingediend, derhalve acht maanden nadat de zaak tegen klaagster is geëindigd.

De rechtbank overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 552, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, een klaagschrift over inbeslagneming niet ontvankelijk is indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen en dat klaagster derhalve niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar beklag.

3.4. De Rechtbank heeft in het midden gelaten of het in juni 1997 ingediende klaagschrift onder invloed van een onjuiste toezegging vanwege de Officier van Justitie door klaagster is ingetrokken, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Zonder nadere motivering, welke in de bestreden beschikking ontbreekt, is niet begrijpelijk dat onder die omstandigheden 9 september 1997 moet gelden als datum waarop het beklag op grond van art. 552a Sv is gedaan. Voorzover het middel klaagt over dat motiveringsverzuim is het terecht voorgesteld.

3.5. De Rechtbank heeft geoordeeld dat door de schriftelijke mededeling van de Officier van Justitie van 7 januari 1997 aan de verdachte — welke de Rechtbank klaarblijkelijk heeft aangemerkt als een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in art. 245 Sv — aan de zaak een einde is gekomen; die mededeling is gedaan nadat klaagsters voorlopige hechtenis in de zaak op 10 april 1996 was geëindigd. Ingevolge art. 245a Sv dient een zodanige mededeling te worden betekend. Nu de Rechtbank daaromtrent niets heeft vastgesteld en zulks van belang is voor de beantwoording van de vraag op welk moment de in art. 552a, tweede lid, Sv bedoelde termijn is gaan lopen, is haar beschikking ook in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Voorzover het middel daarover klaagt is het dus ook terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en verwijzing moet volgen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde deze op het bestaande klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Corstens, Aaftink en Orie, in bijzijn van de griffier Van de Griendt in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 1998.