Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2549

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-08-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33684
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/389
FED 1998/735
WFR 1998/1606, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 april 1997 be treffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking inzake vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof De Inspecteur heeft bij beschikking van 16 mei 1995 belanghebbende op de voet van het bepaalde in artikel 14, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) jo. artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit) vrijstelling van belasting verleend voor de personenauto met het buitenlandse kenteken AA 000. Het door belanghebbende tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep geko men bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en

belanghebbende voor genoemde auto vrijstelling van belasting heeft verleend als bedoeld in artikel 2 van het Besluit. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Partijen hebben de zaak doen toelichten, de Staatssecretaris door mr R.L.H. IJzerman, advocaat te 's-Gravenhage, belanghebbende door mr D.J.M.M. Weymar, advocaat te Vaals.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. 3.1.2. 3.1.1. Belanghebbende is als 'Geschäftsführer' werkzaam bij A GmbH te R, Duitsland, die een groothandel in natuursteen exploiteert. 3.1.3. 3.1.4. 3.1.2. A GmbH heeft aan belanghebbende voor de uitoefening van zijn werkzaamheden de onderhavige, in Duitsland geregistreerde personenauto (hierna: de auto) ter beschikking gesteld, die belanghebbende ook voor privé-doeleinden mag gebruiken. 3.1.5. 3.1.3. Belanghebbende bezit 20% van de aandelen in A GmbH. De overige aandelen zijn in handen van B (30%) en van C (50%). 3.1.6. 3.1.7. 3.1.4. § 1 van het tussen A GmbH en belanghebbende gesloten 'Gesellschafter- Geschäftsführervertrag' luidt - voorzover te dezen van belang:

3.1.8. "3. X wird seine Arbeitskraft und alle seine fachlichen Kenntnisse und Erfahrungen der Gesellschaft widmen. Die Übernahme einer entgeltlichen oder einer unentgeltlichen Tätigkeit, von Ehrenämtern sowie von Beratungs- und ähnlichen Mandaten bedarf der vorherigen schriftlichen Zustimmung der Gesellschafter. 3.1.9. (...) 3.1.10. 5. Einwilligungsbedürftig sind entgegen der Regelung in § 1, Abs. 3 dieses Vertrages folgende Geschäfte: 3.1.11. (...) 3.1.12. c) der Abschluss von Verträgen mit einer Laufzeit von mehr als zwei Jahren (z.B. Mietverträge, Leasingsverträge, Darlehensverträge etc).".

3.1.13. 3.1.5. A GmbH heeft de auto geleased. Het leasecontract is ondertekend door zowel belanghebbende als zijn mede-aandeelhouders. 3.1.14. 3.1.15. 3.1.6. Belanghebbende heeft bij brief van 7 april 1995 de Inspecteur verzocht om vrijstelling van belasting voor de auto op de voet van het bepaalde in artikel 14 van de Wet jo. artikel 2 van het Besluit. 3.1.16. 3.1.17. 3.2. Voor het Hof was op de eerste plaats tussen partijen in geschil of belanghebbende een werknemer is als bedoeld in artikel 3, lid 1, jo. artikel 2, lid 1, onderdeel c, van het Besluit, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. 3.1.18. Belanghebbende heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij een werknemer in vorenbedoelde zin is, omdat hij als minderheidsaandeelhouder in beginsel geen invloed kon uitoefenen op de beslissing in welk land de auto werd geregistreerd. De Inspecteur heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat belanghebbende als 'Geschäftsführer' en aandeelhouder van A GmbH geacht moet worden in beginsel die invloed wel te hebben kunnen uitoefenen. 3.1.19. 3.1.20. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat de omstandigheden dat belanghebbende ten tijde dat hem de auto ter beschikking werd gesteld bedrijfsleider van A GmbH was en dat hij toen voor 20% aandeelhouder was van A GmbH, ook in onderlinge samenhang beschouwd, onvoldoende zijn om de hiervóór in 3.2 vermelde vraag in de door de Inspecteur voorgestane zin te beantwoorden; dat die omstandigheden immers niet uitsluiten dat belanghebbende in beginsel geen invloed kon uitoefenen op de beslissing in welk land de hem ter beschikking gestelde auto werd geregistreerd; dat A GmbH belang had bij registratie van een aan belanghebbende ter beschikking te stellen personenauto in Duitsland in plaats van in Nederland, aangezien zij, naar algemeen bekend is, bij registratie in Duitsland geen BPM hoefde te betalen; dat het, zulks in aanmerking genomen en gelet op het feit dat belanghebbende voor het sluiten van het leasecontract met betrekking tot de auto was aangewezen op de medewerking van zijn mede-aandeelhouders, aannemelijk is dat belanghebbende zich door de vennootschap niet een in Nederland geregistreerde personenauto ter beschikking kon laten stellen, aangezien zijn mede- aandeelhouders daaraan hun daarvoor noodzakelijke medewerking zouden onthouden; dat daaruit volgt dat de hiervóór in 3.2. vermelde vraag in de door belanghebbende voorgestane zin moet worden beantwoord.

3.1.21. Tegen deze oordelen richt zich het middel. 3.1.22. 3.4. Het middel betoogt dat het Hof bij zijn vorenweergegeven oordelen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat, gezien de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van het bepaalde in artikel 2, lid 1, onderdeel c, van het Besluit, de besluitgever ervan is uitgegaan dat iemand in de functie als die van belanghebbende, die niet alleen Geschäftsführer maar tevens aandeelhouder is, in het algemeen geacht moet worden in een positie te verkeren, waarin hij in beginsel invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land een hem ter beschikking gesteld motorrijtuig wordt geregistreerd, en dat daarbij niet van belang is of die invloed doorslaggevend is. 3.1.23. Dit betoog kan niet tot cassatie leiden. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van het Besluit ligt de grond voor het onderscheid tussen werknemers die voor de (ruimere) vrijstelling van artikel 2 in aanmerking komen en de in artikel 3, lid 1, vermelde personen, voorzover geen werknemers als bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel c, die slechts voor de (beperkte) vrijstelling van artikel 3 in aanmerking komen, met name hierin dat eerstbedoelden niet en laatstbedoelden wel zelf kunnen beslissen in welk land het motorrijtuig wordt aange-schaft en geregistreerd (Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 10, blz. 19). Dit brengt mee dat slechts dan sprake is van de in artikel 2, lid 1, onderdeel c, bedoelde invloed, indien die invloed beslissend is. In 's Hofs oordelen ligt besloten het oordeel dat van zodanige beslissende invloed in het onderhavige geval geen sprake is geweest. Dit oordeel kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

3.1.24. 4. Proceskosten 3.1.25. De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 26 augustus 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Brunschot, Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en in het openbaar uitgesproken. 3.1.26. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van f 315,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van f 150,--, dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen f 165,--.