Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2532

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-08-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 4
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/605
BNB 1999/194 met annotatie van A.L.C. Simons
WFR 1998/1411
V-N 1998/46.26 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 augustus 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 7.805,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Voor het Hof was in geschil of de door de huurder aan belanghebbende gedane betalingen de afkoop van de huur en/of een schadeloosstelling voor geleden vermogensschade betroffen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het tegen vergoeding afzien van procederen, gelet op de overweging dat de in artikel 4, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) bedoelde prestaties tevens kunnen bestaan uit het nalaten van werkzaamheden of het staken van activiteiten, onmiskenbaar een dienst vormt welke onderhevig is aan de heffing van omzetbelasting en dat niet meer van belang is of en in hoeverre de litigieuze vergoedingen tevens een schadevergoeding dan wel afkoop van huur vormden.

3.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 15 december 1993, C- 63/92 (Lubbock Fine), Jur. 1993, I-6665, geoordeeld dat wanneer een bepaalde handeling, zoals de verhuur van onroerende goederen, die naar maatstaf van de betaalde huurbedragen zou worden belast, binnen een bij de Zesde Richtlijn verleende vrijstelling valt, een verandering in de contractuele betrekking, zoals de contractuele be'indiging van de huur tegen vergoeding, eveneens onder die vrijstelling moet worden geacht te vallen. Hieruit is af te leiden dat in het onderwerpelijke geval, waarin partijen gezamenlijk hebben verzocht de in artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet neergelegde vrijstelling buiten toepassing te laten en zijn overeengekomen de huurovereenkomst te ontbinden tegen een door de huurder te betalen afkoopsom, die afkoopsom op dezelfde wijze moet worden behandeld als de vergoeding voor de aanvankelijk overeengekomen prestatie, en derhalve aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen.

3.4. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat door haar tevens vermogensschade is geleden doordat de huurder een overeengekomen investeringsverplichting, inhoudende dat de huurder voor zijn rekening afwerkingshandelingen aan het gehuurde zou laten verrichten, niet is nagekomen. De Inspecteur heeft het bestaan van deze verplichting weersproken. Het middel, dat erover klaagt dat het Hof zich over deze stelling van belanghebbende niet heeft uitgelaten, kan echter niet tot cassatie leiden, nu deze stelling, ook al zou deze juist zijn, belanghebbende niet kan baten, aangezien de waarde van de investeringsverplichting ingevolge artikel 8, lid 2, van de Wet eveneens tot de (belaste) vergoeding zou hebben behoord.

3.5. Ôs Hofs beslissing is mitsdien juist, wat ook zij van de daartoe gebezigde gronden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 26 augustus 1998 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter en de raadsheren Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en in het openbaar uitgesproken.