Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2523

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33466
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/251
FED 1998/371
WFR 1998/922
V-N 1998/31.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 1997 betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 67.787,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 66.362,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. Voorzover de klachten zich richten tegen hetgeen de Inspecteur voor het Hof heeft gesteld omtrent zijn standpunt ten aanzien van de aftrek van buitengewone lasten in de jaren 1994 en volgende, kunnen zij niet tot cassatie leiden, omdat de uitspraak van het Hof slechts betrekking heeft op de aftrek van buitengewone lasten voor het onderhavige jaar, 1993, en het Hof het standpunt van de Inspecteur omtrent de aftrek in volgende jaren niet in de beoordeling van het onderhavige geschil heeft betrokken. 3.2. Voorzover de klachten het jaar 1993 betreffen kan in cassatie van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbendes moeder, geboren in 1915, had - na aftrek van ingehouden loonbelasting - een besteedbaar inkomen van f 15.736,-- uit een AOW-uitkering. De jaarhuur voor haar woning bedroeg f 13.888,--. Zij heeft twee vakantiereizen naar Spanje gemaakt en heeft in de Verenigde Staten van Amerika het huwelijk van een kleinkind bijgewoond. De Inspecteur heeft een bedrag van f 6.570,-- (f 5.500,-- + f 1.070,--) als uitgaaf tot voorziening van belanghebbendes moeder in aftrek toegelaten. 3.3. Het Hof heeft kennelijk - op het voetspoor van de Inspecteur - geoordeeld, dat het besteedbare inkomen verhoogd met het in aftrek toegelaten bedrag van f 6.570,--, derhalve een besteedbaar bedrag van f 22.306,--, voor belanghebbendes moeder voldoende was tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving en dat het vergoeden van de reizen naar Spanje en de Verenigde Staten van Amerika niet als het voorzien in het levensonderhoud van de moeder kan worden beschouwd. 3.4. Dat oordeel behoefde nadere motivering die door het Hof niet is gegeven. Uit 's Hofs uitspraak wordt niet duidelijk of het Hof geoordeeld heeft dat bij de bepaling van de behoefte aan levensonderhoud van een ouder geen rekening mag worden gehouden met vakantie- uitgaven, welk oordeel onjuist zou zijn, en ook niet met uitgaven voor het bijwonen in het buitenland van een huwelijk van een kleinkind, welk oordeel in zijn algemeenheid onjuist zou zijn, dan wel of het Hof van oordeel is dat het besteedbare inkomen van belanghebbendes moeder ruimte bood voor een redelijk bedrag aan vakantie-uitgaven en voor een redelijk bedrag voor een (incidentele) reis naar het buitenland voor het bijwonen van een huwelijk van een kleinkind, in welk geval 's Hofs uitspraak, mede gelet op de door belanghebbendes moeder verschuldigde huur en andere te maken vaste kosten, geen inzicht geeft in de gevolgde gedachtegang. 3.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en derhalve niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof; - verwijst het geding naar het Gerechtshof ter 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 10 juni 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.