Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2481

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33183
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1998, 20940
BNB 1998/160
FED 1998/303
FED 1998/196
WFR 1998/475, 1
V-N 1998/15.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 februari 1997 betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 162.148,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 160.648,--, onder toepassing van een tarief van 45% op een bedrag van f 36.817,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende kon door nalatigheid van de door hem ingeschakelde notaris zijn onderneming niet per 1 januari 1991 op de voet van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) omzetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In verband hiermee heeft de notaris belanghebbende in het onderhavige jaar (1993), naast een bedrag van f 6.000,-- voor advieskosten, een bedrag van f 30.817,-- vergoed ter zake van financiële schade.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen - voorzover in cassatie van belang - in geschil het antwoord op de vraag of - zoals belanghebbende verdedigde - het bedrag van f 30.817,-- dient te worden aangemerkt als een vergoeding voor belastingschade die als zodanig niet in aanmerking wordt genomen bij de heffing van inkomstenbelasting, dan wel - gelijk de Inspecteur betoogde - als een voordeel verkregen uit onderneming.

3.3. Het Hof heeft het geschil ten nadele van belanghebbende beslist, daartoe oordelend - kort gezegd - dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omzetting per 1 januari 1991 van zijn onderneming in een B.V. tot belastingschade heeft geleid.

3.4. Het middel, dat zich tegen 's Hofs beslissing keert, is gegrond. De door de notaris aan belanghebbende betaalde vergoeding van f 30.817,-- kan immers op niets anders betrekking hebben dan op door belanghebbende als gevolg van de omzetting geleden belastingschade, aangezien tussen een omzetting van een onderneming in een B.V. op de voet dan wel niet op de voet van artikel 18 van de Wet slechts relevant is het verschil in belasting.

3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten; vernietigt de uitspraak van de Inspecteur; vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 129.831,--, waarvan f 6.000,-- belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 18 maart 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.