Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2473

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-1998
Datum publicatie
25-03-1998
Zaaknummer
32653
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 11(oud)
Wet op de loonbelasting 1964 32 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/192 met annotatie van P. KAVELAARS
FED 1998/294
V-N 1998/18.20 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 augustus 1996 betreffende de over de maand augustus 1993 door B N.V. van haar ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof Van belanghebbende is over de maand augustus 1993 door B N.V. een bedrag van f 129.463,65 aan loonbelas ting/premie volksverzekeringen ingehouden. Het tegen deze inhouding gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Aan belanghebbende is ter gelegenheid van haar ontslag een schadevergoeding ter zake van te derven inkomen van f 236.000,-- toegekend, welke door haar voormalige werkgeefster is betaald aan B N.V. als premie voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. De einddatum van de polis was 1 juli 1992. De rechten en verplichtingen uit de polis aan de zijde van de verzekeringnemer zijn aan belanghebbende overgedragen. Op 30 augustus 1993 heeft B N.V. op verzoek van belanghebbende het eindkapitaal van de verzekering, inclusief rentevergoeding, onder inhouding van 45 percent loonbelasting/premie volksverzekeringen overgemaakt op een bankrekening ten name van een op 26 augustus 1993 opgerichte BV (hierna: de BV), waarvan de aandelen in handen zijn van belanghebbende. In een onderhandse stamrechtovereenkomst met dagtekening 27 augustus 1993 zijn belanghebbende en de BV overeengekomen, daarbij blijkens de desbetreffende akte "in aanmerking nemende (dat de BV) heeft overgenomen van B N.V. ... de rechten en verplichtingen die laatstgenoemde had en die voortvloeien uit een door deze NV met (belanghebbende) gesloten stamrechtovereenkomst", dat de BV belanghebbende en/of haar echtgenoot een van hun levens afhankelijk recht op uitgestelde tijdelijke periodieke uitkeringen toekent. 3.2. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of ter zake van de uitkering van B N.V. aan de BV terecht loonbelasting is ingehouden. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord, onder meer op grond van zijn oordeel dat de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter d, van de Wet op de loonbelasting 1964, tekst 1993 (hierna: de Wet) op de uitkering door B N.V. niet van toepassing is. Tegen dit oordeel richten zich de middelen. 3.3. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat nu B N.V. geen lijfrente heeft verstrekt, de lijfrenteclausule niet op correcte wijze is tenuitvoergelegd. Van de aanvang af heeft immers aan de regeling van de lijfrenteclausule ten grondslag gelegen dat als gevolg van die clausule de rechthebbende tegenover de verzekeraar geen recht kan doen gelden op de uitkering van het verzekerde kapitaal doch uitsluitend op de verschaffing van een of meer lijfrenten. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, B N.V. heeft verklaard dat zij voor loonstamrechten als het onderhavige bereid is tot overboeking van het lijfrentekapitaal naar een andere wettelijk toegelaten verzekeraar. 3.4. Voortbouwend op zijn evenvermelde oordeel heeft het Hof voorts terecht geoordeeld dat het voor de bedongen lijfrente in de plaats gekomen bedrag dat in opdracht van belanghebbende ter verwerving van een lijfrente aan de BV is overgemaakt, door belanghebbende is genoten, dat deze uitkering niet een stamrecht vormt, en dat er ook geen reden is deze uitkering in afwijking van de bewoordingen van artikel 11, lid 1, letter d, van de Wet en van artikel 32 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat tot 1 januari 1992 luidde, - hier via artikel 75 van die wet nog van toepassing - met de verwerving van een stamrecht gelijk te stellen. Het subsidiair voorgestelde middel, inhoudend dat belanghebbende niets heeft "genoten", faalt derhalve. 3.5. De in het primair voorgestelde middel verdedigde opvatting dat van "vervanging" in de zin van evenvermeld artikel 11 reeds sprake is indien vanuit het standpunt van de belastingplichtige bezien voor een aanspraak op lijfrenten jegens de oorspronkelijke verzekeraar (uiteindelijk) een aanspraak op lijfrenten jegens een andere verzekeraar in de plaats is gekomen, zulks ook indien de oorspronkelijke verzekeraar niet anders dan door uitbetaling van het verzekerde kapitaal op verzoek van en volgens instructies van de begunstigde daarbij is betrokken, kan niet als juist worden aanvaard. Ook het primair voorgestelde middel faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 25 maart 1998 vastgesteld door de raadsheer Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.