Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2468

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 1
Wet op de omzetbelasting 1968 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/286
BNB 1998/181 met annotatie van M.E. VAN HILTEN
FED 1998/229
WFR 1998/512
V-N 1998/19.20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 januari 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 426.171,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financi'n heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: In verband met de noodzaak tot afbouw van het aantal arbeidsplaatsen heeft belanghebbende op grond van een door haar in het kader van een sociaal plan aangegane verplichting outplacementbureaus (hierna ook wel: de bureaus) ingeschakeld teneinde werknemers te helpen bij het vinden van een passende werkkring buiten het bedrijf. De diensten van de bureaus bestonden uit carrière- adviezen, psychologische tests, workshops, videotraining en de terbeschikkingstelling van faciliteiten op het gebied van secretariaat, telefoon en ruimte. Belanghebbende heeft de contracten met de bureaus gesloten en heeft de door de bureaus in rekening gebrachte bedragen betaald. Bij de onderwerpelijke naheffingsaanslag heeft de Inspecteur de tot een totaal van f 184.577,-- aan belanghebbende door de bureaus in rekening gebrachte omzetbelasting, die belanghebbende in aftrek had gebracht, nageheven.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende ingeschakelde outplacementbureaus hun hiervóór in 3.1 vermelde diensten hebben verricht jegens de werknemers van belanghebbende die elders een passende werkkring moesten zoeken. Middel 1 keert zich tegen dit oordeel met het betoog dat nu uit de feiten niet blijkt van enige rechtsbetrekking tussen de bureaus en de desbetreffende werknemers, en aan alle voorwaarden voor aftrek is voldaan, aangezien belanghebbende opdracht heeft gegeven voor de desbetreffende diensten en hiervoor facturen heeft ontvangen, die aan de door de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) gestelde eisen voldoen, 's Hofs oordeel dat de diensten door de bureaus jegens de werknemers en kennelijk niet aan belanghebbende zijn verricht, onbegrijpelijk is. Het middel slaagt. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met name uit het arrest van 3 maart 1994, in zaak C-16/93 (Tolsma), Jurispr. HvJ 1994, blz. I-743, r.o.14, blijkt dat een dienst enkel onder bezwarende titel in de zin van artikel 2 van de Zesde Richtlijn wordt verricht en dus enkel belastbaar is, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat, waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst. De feiten, te weten dat belanghebbende de contracten met de bureaus heeft afgesloten en de door de bureaus in rekening gebrachte bedragen heeft betaald, terwijl kennelijk tussen de bureaus en de werknemers geen rechtsbetrekking bestaat, waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de bureaus diensten onder bezwarende titel in de zin van artikel 2 van de Zesde Richtlijn en dus diensten in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet, hebben verricht aan belanghebbende en niet aan de werknemers.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat bovendien - waarmee het Hof kennelijk bedoelt: indien zijn hiervóór in 3.2 weergegeven oordeel niet juist zou zijn - de door belanghebbende van de bureaus bedongen diensten - op de wijze bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA) - gebezigd zijn voor het uitkeren van loon in natura aan de betrokken werknemers en voor persoonlijke doeleinden van die werknemers. Middel 2 bestrijdt dit oordeel met het betoog dat met de diensten van de bureaus geen persoonlijke behoeften van de werknemers zijn bevredigd als bedoeld in het BUA, dat de inschakeling van de bureaus door belanghebbende verband houdt met de inkrimping van haar personeelsbestand, en dat het sociaal plan ertoe strekt een algemeen arbeidsconflict of een reeks persoonlijke arbeidsconflicten tussen belanghebbende en haar werknemers te voorkomen, zodat voormeld oordeel van het Hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Ook dit middel slaagt. Het staat vast dat belanghebbende om een noodzakelijke personeelsreductie te bereiken en daarbij conflicten met de werknemers te vermijden, een sociaal plan heeft opgesteld waarvan onderdeel uitmaakt dat zij zich heeft verplicht outplacementbureaus in te schakelen ten einde werknemers te helpen bij het vinden van een passende werkkring buiten het bedrijf. De Inspecteur heeft in het vertoogschrift erkend dat het verstrekken van de diensten van de bureaus voor de werknemers niet tot een besparing heeft geleid, kennelijk omdat werknemers geen uitgaven voor dergelijke doeleinden plegen te doen. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de uitgaven primair in het belang van de onderneming zijn gedaan en dat het persoonlijk voordeel voor de werknemers, zo al aanwezig, van ondergeschikt belang is. (Zie het arrest van het Hof van Justitie van 16 oktober 1997, zaak C-258/95, r.o. 30, Vakstudie nieuws 1998, blz. 233) Alsdan is van een bezigen van de diensten van de bureaus voor het uitkeren van loon in natura of voor andere persoonlijke doeleinden van het personeel - in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het BUA - geen sprake.

3.4. Gelet op het hiervóór in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspaak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd met een bedrag van f 184.577,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie en voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5 Beslissing De Hoge Raad; vernietigt de uitspraak van het Hof; vernietigt de uitspraak van de Inspecteur; vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag ten bedrage van f 241.594,--; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300.--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,--, derhalve in totaal f 375,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt voorts de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakt kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 25 maart 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.