Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2445

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33054
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1998, 20971
BNB 1998/263
V-N 1998/39.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X, de erfgename van A, gewoond hebbende te Z (hierna: A), tegen de uit spraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 december 1996 betreffende de ten name van A voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Ten name van A is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opge legd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aan slag naar een belastbaar inkomen van f. 991.124,--, waarvan f. 943.498,-- belast naar het tarief van 20 percent als bedoeld in artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep geko men bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financi├źn heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie CONVGEGEVENS Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks be hoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (HR 27 april 1983, BNB 1983/232).

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 11 februari 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.