Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2442

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33031
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 10
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 10a
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 11
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 12
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 13
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 13a
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 14
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 14a
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/151
FED 1998/190 met annotatie van W.A.P. NIEUWENHUIZEN
WFR 1998/307
V-N 1998/10.22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de gemeente Groningen tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 december 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1984 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 514.000,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daarte gen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep geko men bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoog schrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende heeft als eigenaar van het Oosterparkstadion (hierna: het stadion) te Groningen, waarvan toentertijd reeds bestonden een hoofdtribune, een lange staantribune en zijtribunes, in 1984 opdracht gegeven tot de bouw van een zittribune met eigen ingang (hierna: de tribune-zuid), die achter de staantribune is gebouwd. Vanuit deze tribune heeft men geen toegang tot de andere tribunes.

3.1.2. Belanghebbende had het gehele stadion aan de Stichting FC Groningen (hierna: de Stichting) verhuurd met toepassing van het bepaalde in artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel b, aanhef en 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (in de voor het onderhavige jaar geldende tekst; hierna: de Wet) en heeft de ter zake van de bouw van de tribune-zuid in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek gebracht. De tribune-zuid is op 24 maart 1985 voor het eerst in gebruik genomen.

3.1.3. Op 8 mei 1987 heeft belanghebbende het stadion in erfpacht uitgegeven aan de Stichting. Belanghebbende en de Stichting hebben voor de levering van het erfpachtsrecht geen verzoek gedaan als bedoeld in artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wet.

3.1.4. De Inspecteur heeft, uitgaande van een vrijgestelde levering van het erfpachtsrecht op 8 mei 1987, op grond van de artikelen 13 en 13a van het bepaalde in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking) de ter zake van de bouw van de tribune-zuid in aftrek gebrachte omzetbelasting herzien en in de onderwerpelijke naheffingsaanslag te dier zake een bedrag begrepen van f 450.000,--.

3.2.1. Het Hof heeft vastgesteld dat de tribune- zuid, die achter de lange staantribune is gebouwd, een niet (door toegangen) met de rest van het stadion verbonden onroerende zaak is, met een eigen ingang, welke de capaciteit van het stadion aanzienlijk heeft vergroot. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de tribune-zuid zodanig is geïntegreerd in het stadion en daaraan dienstbaar is geworden, dat niet langer sprake is van een zelfstandige onroerende zaak; dat de tribune-zuid dus een nieuw vervaardigde onroerende zaak is, die destijds aan belanghebbende is geleverd in de zin van artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Wet, zodat de herzieningsbepalingen in beginsel van toepassing zijn.

3.2.2. Het middel herhaalt de voor het Hof te berde gebrachte stelling dat in 1984/1985 geen zelfstandige onroerende zaak is opgeleverd, ter zake waarvan in 1987 herziening kan plaatsvinden, omdat het stadioncomplex als geheel in ogenschouw moet worden genomen. Het middel is in zoverre gegrond. Naar maatschappelijke opvattingen moet een stadion als het onderhavige als één in het economische verkeer te exploiteren zaak worden aangemerkt, ook al zijn de afzonderlijke tribunes niet door toegangen met de rest van het stadion verbonden en bezitten zij een eigen toegang. De bouw van de tribune-zuid dient dus te worden beschouwd als de aanbouw van een onzelfstandig gedeelte van het bestaande stadion, waaromtrent tussen partijen voor het Hof niet in geschil was dat het door die aanbouw niet als een nieuw vervaardigd stadion kan worden aangemerkt. Het Hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de tribune-zuid een zelfstandige onroerende zaak is, die destijds aan belanghebbende is geleverd in de zin van artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Wet. Nu de bouw van de tribune-zuid niet aangemerkt kan worden als de levering van een goed, is gelet op het bepaalde in de artikelen 13 en 13a van de Beschikking geen plaats voor herziening van in rekening gebrachte omzetbelasting.

3.3. Gelet op het hiervóór in 3.2.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie en voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; vernietigt de uitspraak van de Inspecteur; vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag ten bedrage van f 64.000,--; gelast dat door de Staatssecetaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,--, derhalve in totaal f 375,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt voorts de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 3.550,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.

Dit arrest is vastgesteld 11 februari 1988 door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.