Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2357

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-08-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33604
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/336
FED 1998/561
FED 1999/18 met annotatie van R.P.C.W.M. BRANDSMA
WFR 1998/1295
V-N 1998/42.11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 juli 1997 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opge legd naar een belastbaar inkomen van f 995.008,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep geko men bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ´s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoog schrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is sinds 1978 zelfstandig als architect werkzaam. Daarnaast houdt hij zich sinds 1984 bezig met projectontwikkeling. In dit kader heeft hij in twee fasen van het bestemmingsplan b te R (gemeente Q), aangevangen achtereenvolgens in november 1984 en oktober 1985, zorg gedragen voor de bouw van woningen. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit het van de gemeente kopen van de grond, het verzorgen van de aansluitingen op gas, water, elektriciteit en kabel of C.A.I., alsmede het architectenwerk. Belanghebbende nam, totdat gegadigden voor de woningen waren gevonden, de bouwtermijnen voor zijn rekening. Daarna hield belanghebbende zich bezig met de bouw van twintig woningen in S (gemeente Q). Op 17 februari 1986 lag een ontwerp-structuurplan van de gemeente Q ter inzage. Het plan werd op 26 juni 1986 aangenomen. Op 24 januari 1986, 16 mei 1986 respectievelijk 13 maart 1987 kocht belanghebbende drie percelen grond, toen nog met een agrarische bestemming, op een gedeelte waarvan volgens het genoemde structuurplan woningbouw was gepland als vervolg op de wijk b. Na vele onderhandelingen met de gemeente is een wijziging van het bestemmingsplan tot stand gekomen, heeft belanghebbende de drie percelen grond aan de gemeente verkocht en heeft hij de ontwikkeling van de nieuwe wijk b verzorgd. De Inspecteur heeft het door belanghebbende bij de verkoop van genoemde percelen grond in 1992 behaalde voordeel, ten bedrage van f 900.000,--, als winst uit onderneming belast.

3.2. Ter beantwoording van de vraag of tussen het met genoemde verkoop behaalde resultaat en de be- drijfsuitoefening van belanghebbende zodanig verband bestaat dat het voordeel ten bedrage van f 900.000,-- als winst uit onderneming moet worden beschouwd, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende de drie percelen grond heeft gekocht met aanwending van de kennis welke hij tevoren als architect en projectontwikkelaar ter plaatse had opgedaan ter wille van verder in het kader van zijn onderneming te ontwikkelen activiteiten. In dit oordeel ligt besloten dat belanghebbende voormeld voordeel slechts heeft kunnen behalen door gebruik te maken van specifieke kennis die hij in het kader van zijn ondernemingsactiviteiten had verworven. Uitgaande van dit feitelijke en niet onbegrijpelijke - en derhalve in cassatie niet met vrucht te bestrijden - oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat genoemd voordeel dient te worden aangemerkt als winst uit onderneming. Klacht 2, die zich tegen dit oordeel richt, is derhalve ongegrond. Anders dan klacht 1 betoogt, is het Hof niet uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 31 augustus 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van Brunschot, Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.