Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2319

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1999, 21033
BNB 1998/417
FED 1998/673
WFR 1998/1490
V-N 1998/48.24 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juli 1997 betreffende de aan haar opgelegde aanslag in het recht van successie terzake van haar verkrijging uit de nalatenschap van A, overleden op 2 november 1993.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof A had twee erfgenamen, belanghebbende en haar broer. Aan elk van hen is ter zake van hun verkrijging uit de nalatenschap van A een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging door ieder van hen van f 761.242,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende en haar broer zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslagen verminderd tot aanslagen naar verkrijgingen van ieder van hen van f 667.338,--. (Het Hof heeft kennelijk bij vergissing in zijn uitspraak melding gemaakt van de vermindering van een aanslag naar een verkrijging van f 1.522.485,-- tot een naar een verkrijging van f 1.334.676,--.) De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Tot de nalatenschap van erflater behoorde een boerderij met een totale grondoppervlakte van 28.37.40 ha, bestaande uit een perceel weiland van 2.54.00 ha (hierna: de onroerende zaak I) en een woonhuis met ondergrond, erf, garage, schuren, stal, gierkelder, met weiland en verdere aanhorigheden, groot 25.12.00 ha (hierna: de onroerende zaak II). Van de onroerende zaak I was B de pachter. Op basis van een mondelinge overeenkomst had B, tegen betaling, tevens de beschikking over de onroerende zaak II. De waarde in verpachte staat van onroerende zaak II ten tijde van het overlijden van erflater is f 667.000,--. De broer van belanghebbende heeft tegenover B betwist dat deze ook met betrekking tot onroerende zaak II over een pachtrecht beschikte, waarna B de erven heeft gedagvaard voor de pachtkamer van het kantongerecht te Alkmaar. Vóór de behandeling van die zaak heeft B bij overeenkomst van dading tussen hem en de erven van 25 april 1994 afstand gedaan van het door hem gepretendeerde pachtrecht tegen betaling door de erven van een bedrag van f 100.000,-- en overdracht om niet aan hem van de onroerende zaak I. De onroerende zaak II is op 15 september 1994 verkocht aan een derde voor een prijs van f 1.350.000,--. 3.2. Partijen hebben bij het Hof gestreden over de waarde, voor de bepaling van de grootte van de verkrijgingen van de erfgenamen voor het recht van successie, van de onroerende zaak II, en in het bijzonder over de invloed op die waarde van de tussen B en erflater gesloten overeenkomst, welke door de erfgenamen wel maar door de Inspecteur niet werd aangemerkt als pachtovereenkomst. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de ten tijde van diens overlijden tussen erflater en B bestaande overeenkomst betreffende onroerende zaak II "zo bijzonder was, dat die in feitelijke en juridische zin zwakker was dan een pachtovereenkomst" en heeft, voorts nog oordelend dat de door de Inspecteur voorgestane waardering onvoldoende recht doet aan die overeenkomst, de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vastgesteld op het gemiddelde van de bij de latere verkoop gerealiseerde waarde vrij van pacht en de waarde in verpachte staat. 3.4. Deze oordelen geven onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Ingeval het Hof heeft bedoeld dat de waarde van de zaak hoger moet worden gesteld dan de waarde in verpachte staat omdat sprake was van een rechtsverhouding waaraan B minder rechten kon ontlenen dan aan een pachtovereenkomst, is dat oordeel hetzij onjuist, hetzij zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Het is onjuist indien het Hof ervan is uitgegaan dat, zoals besloten ligt in het door de erfgenamen voor het Hof verdedigde standpunt, de zaak een hoeve of los land was in de zin van artikel 1, lid 1, letter d van de Pachtwet en door de erflater aan B tegen een tegenprestatie was verstrekt ter uitoefening van de landbouw. Het behoefde in het licht van hetgeen partijen voor het Hof hadden aangevoerd nadere motivering indien het Hof ervan is uitgegaan dat de zaak geen hoeve of los land in vorenbedoelde zin was, of dat geen sprake was van een als vergoeding voor het gebruik te beschouwen tegenprestatie, of dat de zaak niet was verstrekt ter uitoefening van de landbouw. Ingeval het Hof heeft bedoeld dat sprake was van een rechtsverhouding waarvan, objectief bezien, in redelijkheid kon worden betwijfeld of het een pachtovereenkomst was, en dat daarom gegadigden voor de zaak, daarmee rekening houdend, bereid zouden zijn een hogere prijs te betalen dan overeenstemt met de waarde in verpachte staat, behoefde dat oordeel evenzeer nadere motivering. 3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat 's Hofs uitspraak, voorzover deze de aan belanghebbende opgelegde aanslag betreft, niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten; - verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--. CONVGEGEVENS

Dit arrest is op 7 oktober 1998 vastgesteld door de Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker-Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.