Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2313

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33644
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/418
FED 1998/674
WFR 1998/1491
V-N 1998/48.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 juni 1997 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 103.256,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbendes op 10 september 1962 geboren zoon heeft in 1984 het eindexamen VWO behaald; in de periode 1984-1992 heeft hij niet gestudeerd en ook niet gesolliciteerd; vanaf 1990 woont de zoon niet meer thuis; in 1992 is hij aangevangen met een rechtenstudie; de zoon voldeed in 1994 niet aan de voorwaarden voor studiefinanciering, noch ontving belanghebbende kinderbijslag voor hem. De zoon heeft in 1994 geen andere inkomsten genoten dan een RWW-uitkering, welke vanaf augustus van dat jaar is gewijzigd in een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet, in totaal f 15.729,-- netto. Een door hem ingediende aanvraag voor individuele huursubsidie over de periode 1 juli 1994 tot en met 1 juli 1995 is afgewezen, omdat hij geen zelfstandige huurwoning bewoonde. Belanghebbende heeft in zijn aangiftebiljet voor het levensonderhoud van de zoon een bedrag van f 6.425,--, verminderd met de wettelijke drempel van f 800,--, is f 5.625,-- als buitengewone lasten in mindering op zijn inkomen gebracht. 3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor 1994 recht heeft op een aftrek van f 5.625,-- als buitengewone lasten wegens het verstrekken van levensonderhoud in de zin van artikel 46, lid 1, letter a, sub 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aan zijn zoon. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de in verband met de rechtenstudie gedane uitgaven niet kunnen worden beschouwd als te zijn gedaan tot voorziening in het levensonderhoud als bedoeld in de in 3.2 genoemde wetsbepaling, nu niet aannemelijk is dat de rechtenstudie is aangevangen om belanghebbendes zoon in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig diens plaats in de samenleving. Hiermee heeft het Hof klaarblijkelijk tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat die uitgaven ertoe hebben gestrekt de zoon in staat te stellen door studie of opleiding te geraken tot een hem beter passende plaats in de samenleving. 3.4. Als redengeving voor dit oordeel heeft het Hof overwogen dat onverklaard is gebleven waarom na het eindexamen VWO acht jaren ongebruikt zijn verstreken en dat de medische redenen, waarmee de overgang van een RWW- naar een ABW-uitkering volgens belanghebbende verband houdt, niet nader zijn toegelicht. Deze omstandigheden bieden op zichzelf echter onvoldoende grond voor de veronderstelling dat belanghebbendes zoon de opleiding is gaan volgen om enige andere reden dan een verbetering van zijn maatschappelijke positie. 3.5. Voorzover het eerste middel betoogt dat het Hof genoemd oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, slaagt het derhalve. De gegrondheid van het eerste middel in zoverre brengt met zich dat het voor het overige geen behandeling meer behoeft. 3.6. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.7. Uit het in 3.5 overwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst de uitspraak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het dbsoor deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 7 oktober 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker- Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.