Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2312

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31810
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/413
FED 1998/666
FED 1999/46
WFR 1998/1486
V-N 1998/50.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juli 1995 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 154.575,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 126.070,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Tot het privé-vermogen van belanghebbende behoren twee verhuurde garagepanden, waarin zich respectievelijk een werkplaats en een showroom bevinden. De vloeren van de werkplaats en de showroom dienden op grond van bepalingen van milieuwetgeving vóór 25 januari 1993 te voldoen aan eisen van vloeistofdichtheid en oliebestendigheid. In 1992 heeft belanghebbende werkzaamheden laten verrichten aan de vloeren van voornoemde panden. De kosten van deze werkzaamheden hebben in totaal f 85.515,-- bedragen. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling f 57.010,-- als kosten van onderhoud in aftrek toegelaten. 3.2. Het Hof heeft het bedrag van f 85.515,-- in zijn geheel als aftrekbare kosten aangemerkt en daartoe redengevend geoordeeld dat de onderhavige werkzaamheden nodig waren om de panden met het oog op de verscherpte milieuwetgeving in bruikbare staat te houden en om achteruitgang en verval, in milieutechnisch opzicht, te voorkomen en dat daarom geen sprake is van (niet- aftrekbare) kosten van verbetering in de zin van het arrest Hoge Raad 24 april 1957, nr. 13193, BNB 1957/190. Dit oordeel miskent dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van onderhoudskosten dan wel van kosten van verbetering het aankomt op de aard van de werkzaamheden in bouwtechnische zin. Het middel is gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Na verwijzing zal moeten worden onderzocht in hoeverre de in 3.1 genoemde werkzaamheden naar hun aard hebben gediend om de onroerende zaken - in vergelijking met de toestand waarin deze zich bij de stichting of na latere verandering bevonden - in bruikbare staat te herstellen en aldus de ingetreden achteruitgang op te heffen dan wel daaraan een wezenlijke verandering aan te brengen waardoor ze naar inrichting, aard of omvang een wijziging hebben ondergaan.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De vraag of in verband met de behandeling van het geding voor het Hof aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof moeten worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is op 7 oktober 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker-Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.