Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2306

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/416
FED 1998/669
WFR 1998/1487
V-N 1998/48.15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 mei 1997 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 95.744,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof

beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbendes zoon en dochter verbleven in 1994 gemiddeld twee en een halve dag per week in een kinderdagverblijf. Deze opvang zou ook in 1995 plaatshebben, met dien verstande dat de opvang voor de zoon begin mei 1995 zou eindigen. In december 1994 heeft belanghebbende met de directie van het kinderdagverblijf afgesproken de opvang van januari tot en met september 1995 naar de tarieven van 1994 vooruit te betalen. Daarvoor heeft hij op 30 december 1994 een bedrag van f 7.995,-- gestort op de bankrekening van het kinderdagverblijf. De Inspecteur heeft de door belanghebbende verzochte aftrek van dit bedrag als beroepskosten geweigerd. 3.2. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld op grond van zijn oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het bedrag aan kosten voor kinderopvang voor 1995 dat hij eind 1994 heeft vooruitbetaald, in dit jaar rechtens verschuldigd is geworden. 3.3. Aldus is het Hof van een onjuiste maatstaf uitgegaan. Noch de omstandigheid dat het bedrag is vooruitbetaald, noch de omstandigheid dat belanghebbende niet tot vooruitbetaling verplicht was, brengt mee dat de betaling iets anders is geweest dan voldoening van de vergoeding voor kinderopvang. Ook de door het Hof kennelijk ten overvloede vermelde omstandigheid dat zodanige vooruitbetaling niet gebruikelijk is, maakt dat niet anders. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding bevatten geen stellingen of feiten die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een - ter beschikking van belanghebbende gebleven - depotstorting. 3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. In verband met hetgeen de Inspecteur overigens heeft aangevoerd, moet verwijzing volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Daarbij verdient opmerking dat de vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, door het verwijzingshof zal moeten worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 7 oktober 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker-Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.