Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1998:AA2295

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-08-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/319
FED 1998/511
FED 1998/787 met annotatie van E. Aardema
WFR 1998/1173
V-N 1998/40.23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 1997 betreffende de haar voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de vermogensbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van f 3.505.000,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. Middel I komt in de eerste plaats op tegen 's Hofs oordeel dat bij het bepalen van de waarde van het vermogen rekening moet worden gehouden met de functie die bezittingen en schulden daarin innemen. Hiermede heeft het Hof, anders dan in het middel wordt verondersteld, niet een subjectief criterium aangelegd. Het Hof, dat voorop heeft gesteld dat bezittingen en schulden in aanmerking dienen te worden genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, heeft kennelijk het oog gehad op de omstandigheid dat een aandelenpakket in een vermogen een bepaalde functie kan hebben - bijvoorbeeld die van belegging of die van in eigen onderneming gestoken vermogen -, met welke omstandigheid mogelijke gegadigden bij het uitbrengen van een bod rekening zullen houden, zodat daarmee ook bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer rekening moet worden gehouden. Aldus verstaan geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 9, lid 1, van de Wet. Voorzover het middel het tegendeel betoogt, faalt het derhalve. 3.2. Het middel keert zich vervolgens tegen 's Hofs oordelen dat het onderhavige aandelenpakket het karakter heeft van in eigen onderneming gestoken vermogen en dat bij de bepaling van de waarde daarvan de intrinsieke waarde als uitgangspunt behoort te worden genomen. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Middel I faalt mitsdien ook in zoverre. 3.3. Middel I behelst ten slotte de klacht, dat het Hof de stelling van belanghebbende dat bij de waardering van haar aandelenbezit betekenis toekomt aan de rentabiliteitswaarde en/of rendementswaarde onbesproken heeft gelaten. In aanmerking genomen hetgeen het Hof in zijn uitspraak onder 5.5. heeft overwogen mist deze klacht wat de rentabiliteitswaarde betreft feitelijke grondslag. Ook voorzover het gaat om de rendementswaarde treft deze klacht geen doel. In het oordeel van het Hof dat het aandelenbezit van belanghebbende in wezen in een eigen onderneming gestoken kapitaal vertegenwoordigt, ligt immers besloten dat de rendementswaarde bij de waardering geen rol speelt. 3.4. Het falen van middel I heeft tot gevolg dat ook middel II, dat uitgaat van gegrondbevinding van middel I, geen doel treft.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 10 augustus 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.