Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:ZF3400

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-1997
Datum publicatie
27-02-2006
Zaaknummer
32.628
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Cassatie
Inhoudsindicatie

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 8:70b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/11
FED 1997/855
FED 1998/83
WFR 1997/1782, 2
V-N 1997/4545, 10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1.Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijtuigen opgelegd ten bedrage van f 6.390,-- met een verhoging van de nageheven belasting van 50 percent, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat belanghebbende niet- ontvankelijk in haar beroep heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep

in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in haar beroep kan worden ontvangen. Het heeft daartoe - voorzover in cassatie van belang - uitgaande van de vaststelling dat het op de desbetreffende enveloppe geplaatste poststempel de datum 3 juni 1994 draagt, overwogen dat belanghebbende met hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd en heeft overgelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift vóór het einde van de termijn - die in dit geval eindigde op 31 mei 1994 - ter post is bezorgd, als bedoeld in artikel 6:9, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.2. Tegen laatstvermeld oordeel keert zich het middel met het betoog dat, nu het Hof niet heeft aangegeven hoe het tot dat oordeel is gekomen, 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Dit betoog treft doel. Het Hof heeft in zijn uitspraak niets vastgesteld omtrent de inhoud van hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd en overgelegd. Nu daarvan ook uit de stukken van het geding niets blijkt, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 19 november 1997 vastgesteld door de raadsheer Van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.