Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:ZD0822

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-1997
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
106.103
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 413
Wetboek van Strafvordering 334
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1998, 156
PS-Updates.nl 2019-0367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 oktober 1997

Strafkamer nr. 106.103

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissements- rechtbank te Dordrecht van

10 september 1996 alsmede tegen alle op de terechtzitting van deze Rechtbank gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats] .

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Dordrecht van 27 september 1995 - de verdachte ter zake van "geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdvijftig gulden, subsidiair drie dagen hechtenis. Voorts heeft de Rechtbank aan de verdachte de verplichting opge legd tot betaling aan de Staat van een bedrag van vierduizend gulden ten behoeve van het slachtoffer, subsidiair vijfenveertig dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Door of namens deze zijn geen middelen van cassatie voor gesteld.

2.2. Namens de benadeelde partij heeft mr I.G.M. te Poel, daartoe door de benadeelde partij bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis voor wat betreft de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij, de schadevergoedingsmaatregel en de straf oplegging met verwij zing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

4. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het namens de benadeelde partij inge diende middel en ambtshalve

4.1. Uit de stukken van het geding blijkt het volgen de: (i) Ter terechtzitting van de Kantonrechter van 27 september 1995 heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd met betrekking tot de door hem tengevolge van het aan de verdachte telastegelegde geleden schade, en wel tot een bedrag van ƒ 8000,-.(ii) Bij vonnis van 27 september 1995 heeft de Kan tonrechter vorenbedoelde vordering toegewezen.(iii) Zowel de verdachte als de Officier van Justitie is in hoger beroep gekomen van het hiervoor onder (ii) bedoelde vonnis.(iv) Ter terechtzitting van de Rechtbank van 10 september 1996 is de benadeelde partij niet verschenen.(v) Bij vonnis van 10 september 1996 heeft de Recht bank de vordering van de benadeelde partij afgewezen en heeft zij aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 4000,- ten behoeve van [benadeelde], bij gebrek aan volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 45 dagen vervangende hechtenis.

4.2. Ingevolge het tweede lid van art. 413 Sv, welke bepaling ingevolge art. 425 van dat wetboek van over eenkomstige toepassing is op het hoger beroep bij de

Rechtbank, dient aan de benadeelde partij schrifte lijk te worden medegedeeld op welke dag de zaak ter terechtzitting in hoger beroep zal worden behandeld.

De strekking van dit wettelijk voorschrift is dat de benadeelde partij in de gelegenheid wordt gesteld de behandeling van haar vordering in hoger beroep bij te wonen, teneinde aldaar haar belangen te kunnen behar tigen, bijvoorbeeld door overeenkomstig hetgeen is bepaald in het derde lid van art. 334 Sv, welke bepa ling ingevolge de art. 425 en 415 Sv van overeenkom stige toepassing is in hoger beroep, haar vordering mondeling toe te lichten. De rechter dient te onder zoeken of aan eerstgenoemd voorschrift is voldaan.

Indien zulks niet het geval is behoort hij - tenzij de benadeelde partij ter terechtzitting is versche- nen - het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, opdat genoemde mededeling alsnog aan de benadeelde partij kan worden gedaan.

4.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzit ting in hoger beroep is de benadeelde partij aldaar niet verschenen. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de mededeling als bedoeld in art. 423, tweede lid, Sv aan de benadeelde partij is ge daan. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen had de Rechtbank ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of die mededeling was gedaan. Het vonnis houdt daaromtrent echter niets in.

Daaruit vloeit voort dat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

4.4. De Hoge Raad oordeelt voorts geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.

5. Beoordeling van het bestreden arrest naar aan leiding van het door de verdachte ingestelde beroep

De Hoge Raad oordeelt overigens geen grond aan wezig waarop het bestreden vonnis ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Derhalve moet het cas satieberoep worden verworpen.

6. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt het bestreden vonnis, doch uitslui tend voor wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij, de strafoplegging en de opgelegde maatregel;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Corstens, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 14 oktober 1997.