Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:ZD0642

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-1997
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
103.166
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:23
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van eerbaarheid van echtgenote van zijn gedetineerde cliënt door advocaat (meermalen gepleegd), art. 246 Sr. 1. Verweer dat OvJ n-o is in zijn vervolging dan wel dat bewijs onrechtmatig is verkregen. Is door slachtoffer buiten aanwezigheid van politie thuis opnemen van telefoongesprekken met behulp van door politie geplaatste apparatuur in strijd met art. 10 Grondwet, art. 8.1 EVRM en art. 17.1 IVBPR? 2. Verzoek tot aanvulling van p-v van eerdere tz. in h.b.

Ad 1. In middelen wordt klaarblijkelijk en terecht niet aangevoerd dat het enkele zonder toestemming van opbellende gesprekspartner op geluidsband vastleggen van telefoongesprek reeds inbreuk door opgebelde gesprekspartner oplevert op recht van opbellende gesprekspartner op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer a.b.i. art. 10 Grondwet, in art. 8.1 EVRM en art. 17.1 IVBPR. In de regel levert zulks niet dergelijke schending op. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist. Nu daaromtrent in h.b. niets is aangevoerd, behoefde Hof daarop niet in te gaan. Voorts wordt in middelen met juistheid vooropgesteld dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in uitoefening van in art. 8.1 EVRM gewaarborgd recht van verdachte op ‘’respect for his private life and his correspondence’’ dan v.zv. bij wet is voorzien. Bepalend i.c. is derhalve antwoord op vraag of, gelet op aandeel van politie in opnemen van telefoongesprekken die slachtoffer met verdachte heeft gevoerd, sprake is van inmenging van politie in uitoefening van in art. 8.1 EVRM gewaarborgd recht van verdachte op ‘’respect for his private life and his correspondence’’. Tegen achtergrond van f&o waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, is ‘s Hofs oordeel dat politie niet zodanig sturend is opgetreden (waarbij Hof kennelijk oog heeft op het gehele aandeel van politie in opnemen van telefoongesprekken door slachtoffer) dat sprake is geweest van inmenging van enige publieke autoriteit in de zin van art. 8.2 EVRM, niet onbegrijpelijk, terwijl het evenmin blijk geeft van verkeerde rechtsopvatting, met name niet omtrent die verdragsbepaling, art. 10 Grondwet en art. 17.1 IVBPR. Het gaat immers in zijn kern om (vrouwelijk) slachtoffer van seksueel delict, welke vrouw voorshands geen ander bewijs heeft dan haar eigen verklaring en aan wie politie informatie heeft gegeven over mogelijkheid voor haar om aanvullend bewijs te verkrijgen en aan wie politie vervolgens met oog daarop praktische (technische) hulp heeft verleend voor verrichten van bepaalde handelingen (door die vrouw in haar eigen woning buiten aanwezigheid van politie opnemen met een met hulp van politie geplaatste geluidsband op haar eigen telefoonaansluiting van inkomend telefoongesprek dat dader met haar voert), welke handelingen voor die vrouw, als gesprekspartner bij opgenomen telefoongesprek, niet bij wet verboden handeling opleveren. Evenmin geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting oordeel dat omstandigheid dat verdachte als advocaat ‘’status van geheimhouder’’ heeft te dezen van geen belang is. O.g.v. voorgaande kon Hof tot slotsom komen dat zich hier niet situatie voordeed a.b.i. art. 125g Sv. 's Hofs oordelen zijn toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Stukken van geding houden niets in waaruit kan volgen dat op dit verzoek is beslist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dat niet is geschied. V.zv. middel klacht bevat dat Hof bij monde van voorzitter heeft toegezegd op bedoeld verzoek beslissing te geven kan het reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu p-v van tz. in h.b. zodanige toezegging niet inhoudt. V.zv. middel erover klaagt dat verzoek ten onrechte niet is gehonoreerd, althans dat op dat verzoek niet uitdrukkelijke beslissing is gegeven, miskent het dat wet niet voorziet in mogelijkheid tot wijziging van p-v dat, zoals te dezen m.b.t. p-v van eerdere tz. in h.b. klaarblijkelijk t.t.v. gedaan verzoek het geval was, ex art. 327 Sv is vastgesteld.

Volgt verwerping.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 17
Wetboek van Strafvordering 125g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1997, 500 met annotatie van A.C. 't Hart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 februari 1997

Strafkamer

nr. 103.166

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 juni 1995 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 28 april 1994, voorzover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. en 2. ‘’feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd’’ veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van tienduizend gulden, subsidiair éénhonderd dagen hechtenis.

1.2. De bestreden einduitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het cassatieberoep

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. Voorts hebben namens de verdachte mr E. Prakken, advocaat te Amsterdam, en mr J.M.A. Loevendie, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van een tweetal na de terechtzitting waarop de conclusie van het Openbaar Ministerie is genomen nog ingekomen brieven, onderscheidenlijk van de verdachte, gedateerd 19 september 1996, en van de raadslieden, gedateerd 30 september 1996.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. De feitelijke grondslag in cassatie

In cassatie kan van de volgende feiten en omstandigheden worden uitgegaan, enerzijds als door het Hof vastgesteld en anderzijds als ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd en door het Hof in het midden gelaten:

(i) Op 9 november 1993 heeft de verdachte door geweld [slachtoffer 1] gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Voorts heeft de verdachte op 15 augustus 1990 [slachtoffer 2] gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

(ii) De echtgenoot van [slachtoffer 1] , die in november 1993 gedetineerd was en voor wie de verdachte als raadsman optrad, heeft, nadat [slachtoffer 1] hem had verteld wat op 9 november 1993 was voorgevallen, hierover contact opgenomen met de politie. Dit heeft ertoe geleid dat de politie telefonisch contact heeft opgenomen met [slachtoffer 1] , waarna zij op 23 november 1993 een gesprek met de verbalisant [verbalisant] heeft gevoerd over het doen van aangifte. Tijdens dit gesprek bestond twijfel bij [slachtoffer 1] of zij zou worden geloofd, mede gezien het beroep van de verdachte. Voordat zij het proces-verbaal met haar aangifte heeft ondertekend, heeft [slachtoffer 1] de vraag gesteld of niet meer bewijs van de aanranding op 9 november 1993 nodig zou zijn. In dat verband is met verbalisant [verbalisant] gesproken over het aansluiten van een cassetterecorder op het telefoontoestel van aangeefster voor het vastleggen van van de verdachte te verwachten inkomende telefoongesprekken. Daarbij heeft verbalisant [verbalisant] aan [slachtoffer 1] gezegd, dat zij het gesprek op het onderwerp van de aanranding zou kunnen brengen.

(iii) Na ondertekening door [slachtoffer 1] van de aangifte hebben politiemensen met goedvinden van [slachtoffer 1] bij haar thuis een cassetterecorder aangesloten op haar telefoon. [slachtoffer 1] , die omtrent de bediening van de apparatuur uitleg heeft gekregen van de politie, had ten aanzien van de bediening ‘’de volledige keuzevrijheid’’ omdat zij, buiten aanwezigheid van de politie, zelf bepaalde welke inkomende gesprekken met de recorder zouden worden opgenomen en zij de cassetterecorder zelf in- en uitschakelde.

(iv) Vervolgens heeft [slachtoffer 1] een drietal inkomende telefoongesprekken met de verdachte op de band opgenomen. Het tweede gesprek is door de verdachte gevoerd met gebruikmaking van een autotelefoon. De cassettebandjes, waarop deze gesprekken zijn opgenomen, zijn door de politie uit de recorder gehaald en uitgetypt, en vervolgens als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de politie.

5. Verwerping van gevoerde verweren

5.1. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, subsidiair dat het bewijs in deze zaak onrechtmatig is verkregen, een en ander op de grond dat de verdachte het recht op een ‘’fair trial’’ is onthouden, meer in het bijzonder voor wat betreft het telastegelegde feit onder 1, dat het aldus opnemen van telefoongesprekken van de verdachte een schending oplevert van de in de artikelen 10 Gw, 8 EVRM en 17 IVBPR gewaarborgde rechten, terwijl het onder 2 telastegelegde feit bekend is geworden omdat de zaak ten aanzien van het onder 1 telastegelegde feit door de zedenpolitie in de publiciteit is gebracht ten gevolge waarvan het slachtoffer van het onder 2 telastegelegde feit contact heeft gezocht met de justitie.

5.2. Het Hof heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van beide telastegelegde feiten verworpen op gronden, welke kort samengevat neerkomen op het volgende: In het licht van de vastgestelde feiten kan niet worden gezegd dat de invloed van de politie bij het opnemen van de telefoongesprekken zodanig sturend is geweest dat sprake was van inmenging van enig openbaar gezag in de zin van het tweede lid van art. 8 EVRM.

De omstandigheid dat de verdachte als advocaat de status van geheimhouder heeft, doet aan dat oordeel niet af.

In het onderhavige geval doet zich niet de situatie voor als bedoeld in art. 125g Sv. Van schending van de artikelen 10 Gw en 17 IVBPR is evenmin sprake. Voorts is door de zedenpolitie geen informatie aan de pers verstrekt met betrekking tot de onderhavige feiten.

5.3. Het Hof is voorts in het kader van de ‘’bewijsverweren’’ nader ingegaan op het verweer dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. De verdediging heeft in dit verband in het bijzonder aangevoerd dat vrijspraak van het onder 1 telastegelegde moet volgen, omdat de politie het initiatief heeft genomen tot contact met [slachtoffer 1] , terwijl het bewijs is verkregen door middel van het plaatsen van een cassetterecorder, voorts dat ook vrijspraak van het onder 2 telastegelegde moet volgen, aangezien de aangifte ter zake van dit feit als een vrucht van eerder onrechtmatig handelen van de politie moet worden gezien.

Het Hof heeft deze verweren verworpen op gronden, welke zich als volgt laten samenvatten: Gelet op de omstandigheden waaronder de politie contact heeft opgenomen met [slachtoffer 1] , is niet gebleken dat de politie in het uitvoeren van haar bij de wet opgedragen taak buiten haar bevoegdheden is getreden, terwijl ook het plaatsen van een cassetterecorder in het kader van het onder 1 telastegelegde feit niet onrechtmatig is. Derhalve is het bewijsmateriaal niet onrechtmatig verkregen.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde feit geldt voor wat betreft het gebruikmaken van de cassetterecorder en de beweerdelijk door de politie aan de pers verstrekte informatie hetzelfde als is overwogen ten aanzien van het ontvankelijkheidsverweer.

6. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde eerste en tweede middel en van het zestiende en zeventiende middel van de verdachte

6.1. De middelen bestrijden 's Hofs verwerping van het gevoerde verweer dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging dan wel dat het bewijs onrechtmatig is verkregen met rechts- en motiveringsklachten.

6.2.1. In de middelen wordt klaarblijkelijk en terecht niet aangevoerd dat het enkele zonder toestemming van de opbellende gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een telefoongesprek reeds een inbreuk door de opgebelde gesprekspartner oplevert op het recht van de opbellende gesprekspartner op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 10 Gw, onderscheidenlijk zijn ‘’private life and his correspondence’’ als bedoeld in art. 8, eerste lid, EVRM alsmede in art. 17, eerste lid, IVBPR. In de regel levert zulks niet een dergelijke schending op. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist. Nu daaromtrent in hoger beroep niets is aangevoerd, behoefde het Hof daarop niet in te gaan.

6.2.2. Voorts wordt in de middelen met juistheid vooropgesteld dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het in het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op ‘’respect for his private life and his correspondence’’ dan voorzover bij de wet is voorzien.

6.3.1. Bepalend in de onderhavige zaak is derhalve het antwoord op de vraag of, gelet op het aandeel van de politie in het opnemen van de telefoongesprekken welke [slachtoffer 1] met de verdachte heeft gevoerd, sprake is van inmenging van de politie in de uitoefening van het in het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op ‘’respect for his private life and his correspondence’’.

6.3.2. Tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, is het oordeel van het Hof dat de politie niet zodanig sturend is opgetreden — waarbij het Hof kennelijk het oog heeft op het gehele aandeel van de politie in het opnemen van de telefoongesprekken door [slachtoffer 1] — dat sprake is geweest van inmenging van enige publieke autoriteit in de zin van art. 8, tweede lid, EVRM niet onbegrijpelijk, terwijl het evenmin blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting, met name niet omtrent het bepaalde in die verdragsbepaling, in art. 10 Gw en in art. 17, eerste lid, IVBPR.

Het gaat immers in zijn kern om een (vrouwelijk) slachtoffer van een sexueel delict, welke vrouw voorshands geen ander bewijs heeft dan haar eigen verklaring en aan wie de politie informatie heeft gegeven over een mogelijkheid voor haar om aanvullend bewijs te verkrijgen en aan wie de politie vervolgens met het oog daarop praktische (technische) hulp heeft verleend voor het verrichten van bepaalde handelingen — het door die vrouw in haar eigen woning buiten aanwezigheid van de politie opnemen met een met hulp van de politie geplaatste geluidsband op haar eigen telefoonaansluiting van een inkomend telefoongesprek dat de dader met haar voert —, welke handelingen voor die vrouw, als gesprekspartner bij het opgenomen telefoongesprek, niet een bij de wet verboden handeling opleveren.

Evenmin geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel dat de omstandigheid dat de verdachte als advocaat ‘’de status van geheimhouder’’ heeft te dezen van geen belang is. Op grond van het vorenstaande kon het Hof tot de slotsom komen dat zich hier niet de situatie voordeed als bedoeld in art. 125g Sv. 's Hofs oordelen zijn toereikend gemotiveerd.

6.3.3. Voor het overige — met name ten aanzien van het telastegelegde onder 2 — geldt dat het Hof op feitelijke, niet onbegrijpelijke en in cassatie onaantastbare gronden heeft geoordeeld dat de politie niet de hand heeft gehad in het feit dat de strafzaak in de publiciteit is gekomen met de verdere gevolgen daarvan.

6.3.4. Tenslotte valt niet in te zien waarom verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden ten gevolge van de hiervoren beschreven gang van zaken. Zulks ligt ook met juistheid besloten in 's Hofs verwerping van de gevoerde verweren.

6.4. Voorzover de middelen de verwerping van het beroep op onrechtmatige verkrijging van het bewijs bestrijden geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen ten aanzien van de bestrijding van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid.

6.5. De middelen zijn derhalve tevergeefs voorgesteld, ook voorzover in de middelen van de verdachte overigens nog klachten zijn aangevoerd welke hiervoor niet zijn behandeld. Voor die overige klachten geldt het bepaalde in art. 101a, namelijk dat geen nadere motivering behoeft dat deze klachten niet tot cassatie kunnen leiden, nu zij niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

7. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde vierde middel

7.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 1995 is het onderzoek aldaar voor onbepaalde tijd geschorst. Het onderzoek is hervat ter terechtzitting van het Hof van 2 juni 1995. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting is aldaar namens de verdachte verzocht het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 februari 1995 op een viertal punten aan te vullen. De stukken van het geding houden niets in waaruit kan volgen dat op dit verzoek is beslist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dat niet is geschied.

7.2. Voorzover het middel, blijkens de daarop gegeven toelichting de klacht bevat dat het Hof bij monde van de voorzitter heeft toegezegd op het in 7.1 bedoelde verzoek een beslissing te geven kan het reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 2 juni 1995 zodanige toezegging niet inhoudt.

Voorzover het middel erover klaagt dat het desbetreffende verzoek ten onrechte niet is gehonoreerd, althans dat op dat verzoek niet een uitdrukkelijke beslissing is gegeven, miskent het dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot wijziging van een proces-verbaal dat, zoals te dezen met betrekking tot het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 februari 1995 klaarblijkelijk ten tijde van het gedane verzoek het geval was, op de voet van art. 327 Sv is vastgesteld, zodat het middel ook in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

7.3. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

8. Beoordeling van de overige namens en door de verdachte voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

9. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

10. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Keijzer, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 18 februari 1997.