Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:ZC9557

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-1997
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
105.147
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 131
Wetboek van Strafvordering 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 september 1997

Strafkamer

nr. 105.147

NS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch van 16 april 1996 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda van 21 juni 1995 - de verdachte ter zake van 1. "in het openbaar mondeling tot enig strafbaar feit opruien", 2. "handelen in strijd

met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot meer dan een schietwapen in de vorm van een pistool en revolver" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onder 6e, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te

's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1.

Ingevolge het bepaalde in art. 41, eerste lid, aanhef en onder b, Sv - zoals deze bepaling luidt sinds de inwerkingtreding op 15 juli 1994 van de Wet van 29 juni 1994, Stb. 501 - wordt aan de verdachte die geen raadsman heeft, door het bureau rechtsbijstandvoorziening een raadsman toegevoegd wanneer hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op ambtshalve last van de voorzitter van het gerechtshof.

4.2.

Bij de stukken van het geding bevinden zich een op 6 oktober 1994 verleend bevel tot bewaring van de verdachte en een op 7 februari 1996 door de President van het Hof gegeven en tot de Raad van rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch gerichte last tot toevoeging van mr R.J.H. Klinkhamer als raadsman aan de verdachte. De stukken bevatten echter niets waaruit

kan volgen dat mr Klinkhamer ook daadwerkelijk als raadsman aan de verdachte is toegevoegd.

4.3.

Uit de stukken van het geding blijkt niet dat in hoger beroep een advocaat zich als raadsman heeft gesteld, terwijl daaruit evenmin blijkt dat toevoeging als bedoeld onder 4.1 van een (andere) raadsman heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte in die aanleg geen raadsman heeft gehad.

4.4.

Het in het belang van de verdachte gegeven voorschrift vervat in art. 41, eerste lid, aanhef en onder b, Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van de terechtzitting in de weg te staan. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand

blijven.

De Hoge Raad acht niettemin termen aanwezig het middel te bespreken.

5. Beoordeling van het middel

5.1.

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, telastegelegd dat:

hij op of omstreeks 8 september 1994 te Breda op de Grote Markt in het openbaar mondeling tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, immers heeft verdachte, toen een aantal geüniformeerde politiemensen daar over de Grote Markt een linie hadden gevormd, en de politieambtenaar die de algehele leiding had, op luide en duidelijke toon in de richting van een groep personen (waar hij, verdachte, toe behoorde) had geroepen: "Ik vorder dat u omkeert en terugloopt in de richting van de Grote Markt en/of Reigerstraat.", althans soortgelijke woorden, tegen die politieambtenaren geroepen: "Wij laten ons niet tegenhouden." en/of "Jullie houden ons niet tegen." en/of "We gaan die lui van […] opzoeken.", althans woorden van soortgelijke strekking en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) een armbeweging gemaakt ter aansporing van die groep om voorwaarts te trekken en/of met geweld die politielinie te doorbreken;

5.2.

Voorzover het middel ervan uitgaat dat in die telastelegging een feitelijke omschrijving van "enig strafbaar feit" ontbreekt, berust het op een onjuiste lezing van die telastelegging en mist het derhalve feitelijke grondslag.

Voorzover het middel berust op de opvatting dat voor de geldigheid van de dagvaarding die een op art. 131 Sr toegesneden telastelegging behelst, is vereist dat in die telastelegging het strafbare feit onderscheidenlijk de strafbare feiten waartoe is opgeruid met name moet(en) worden aangewezen slaagt het evenmin, aangezien die opvatting onjuist is.

5.3.

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
6. Slotsom

Uit het hiervoor onder 4 overwogene volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in bijzijn van de waarnemend-griffier Van Wijnen, en uitgesproken op 9 september 1997.