Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:ZC2455

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-1997
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
16408
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Beleidsvrijheid van de Staat bij de vraag of een onderzoek door de rijksrecherche moet worden ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 289
Wetboek van Strafvordering 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1998, 66
RvdW 1997, 195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 oktober 1997

Eerste Kamer

Nr. 16.408 (C96/225)

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],

wonende te ’s-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

Advocaat: mr M.R. Mantz,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr J.L. de Wijkerslooth.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie — verder te noemen: [eiser] — heeft bij exploit van 21 november 1995 verweerder in cassatie — verder te noemen: de Staat — in kort geding (nr. 95/1214) gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te veroordelen primair tot het gelasten van een rijksrecherche-onderzoek met betrekking tot de ten processe bedoelde strafzaak, welke bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage bekend is onder rolnummer 22.001377.94, subsidiair tot het doen laten verdwijnen van (thans) het gehele dossier met uitzondering van de akte van cassatie van 16 juni 1995, dit alles binnen 24 uur, althans binnen een door de President vast te stellen periode.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 15 december 1995 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 27 juni 1996 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. Bij die gelegenheid zijn van de zijde van [eiser] een aantal producties overgelegd en is van de zijde van de Staat gesteld dat de Hoge Raad daarop geen acht kan slaan.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 14 juli 1997 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het bezwaar tegen de in cassatie overgelegde produkties

De bedoelde bij de schriftelijke toelichting overgelegde produkties bevatten gegevens van feitelijke aard en kunnen derhalve, nu zij in de feitelijke instanties niet in het geding waren, voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen rol spelen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tegen [eiser] is eind 1993 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld ter zake van verdenking van aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd, en verkrachting.

(ii) Bij vonnis van 28 april 1994 heeft de rechtbank te Den Haag hem van de te laste gelegde verkrachting vrijgesproken. Zij heeft hem wegens aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

(iii) Zowel [eiser] als het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 16 juni 1995 heeft het hof te Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en [eiser] voor dezelfde bewezen feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk en een geldboete van ƒ 10.000.,--

(iv) [eiser] heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 17 februari 1997 verworpen.

(v) Bij inzage van het strafdossier bij de strafgriffie van het hof op 10 januari 1995 is door [eiser] geconstateerd dat in het dossier de door hemzelf in eerste instantie overgelegde pleitnotities ontbraken en vervolgens ook dat andere stukken ontbraken.

4.2 In het onderhavige kort geding heeft [eiser] primair gevorderd dat de minister van Justitie een onderzoek door de rijksrecherche zou gelasten. Bij dit onderzoek gaat het, aldus het Hof in rov. 5, om drie punten: a) de vraag of en hoe stukken uit het rechtbankdossier betreffende zijn strafzaak zijn gestolen of verduisterd; b) de vraag of de procureur-generaal bij het hof zich jegens hem aan intimidatie, laster en smaad heeft schuldig gemaakt, en c) de vraag of de verbalisant [verbalisant] zich als getuige schuldig heeft gemaakt aan meineed. Zoals blijkt uit hetgeen hierna in 4.3 is overwogen, falen de tegen deze rechtsoverweging gerichte onderdelen 5 en 7.

De Staat heeft in eerste aanleg met betrekking tot de primaire vordering naar voren gebracht dat voor degene die van mening is dat ten onrechte een (strafrechtelijk) onderzoek achterwege wordt gelaten, in beginsel de weg van art. 12 Sv. openstaat en dat die rechtsgang de weg naar de burgerlijke rechter afsluit, maar dat de Staat niettemin om redenen van proceseconomie uitdrukkelijk geen beroep doet op deze ontvankelijkheidsexceptie (pleitnotities, blz. 6). Ook in hoger beroep heeft de Staat geen beroep gedaan op die exceptie. Zij is evenmin in cassatie aan de orde.

De President heeft de primaire en de hiervoor onder 1 vermelde subsidiaire vordering afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd. Daartegen keert zich het middel.

4.3 De onderdelen 5 en 7 falen. Aan het Hof is als rechter die over de feiten oordeelt, de uitleg voorbehouden van hetgeen [eiser] blijkens de gedingstukken aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. De door het Hof in rov. 5 aan de primaire vordering van [eiser] gegeven uitleg is ook niet onbegrijpelijk.

4.4 Het Hof heeft het geschil in volle omvang beoordeeld. Daarbij is het Hof — in cassatie onbestreden — ervan uitgegaan dat de kennelijke grondslag van de primaire vordering van [eiser] is, dat het nalaten het gevorderde rijksrecherche-onderzoek in te stellen jegens [eiser] onrechtmatig is. Het Hof heeft vervolgens vooropgesteld dat de Staat (de minister van Justitie) bij de vraag of een onderzoek door de rijksrecherche moet worden ingesteld, een ruime beleidsvrijheid toekomt, die in beginsel door de rechter moet worden gerespecteerd.

Onderdeel 4 keert zich tegen dit oordeel met het betoog dat het Hof daarmee miskent dat in gevallen, zoals de onderhavige, waarin een strafpleiter door zijn ''eigen'' openbaar ministerie en zijn ‘’eigen’’ rechtbank en gerechtshof resp. vervolgd en berecht wordt, juist zeer strenge eisen gesteld moeten worden aan het waarborgen van de grondbeginselen van een behoorlijke procesvoering. Het onderdeel betoogt voorts dat het evident is dat van een behoorlijke c.q. zorgvuldige procesvoering in casu juist geenszins sprake is geweest.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft een juiste maatstaf aangelegd die ook van toepassing is in een geval als het onderhavige. 's Hofs oordeel dat de Staat in het onderhavige geval, getoetst aan deze maatstaf, niet onrechtmatig heeft gehandeld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet verder op juistheid kan worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

4.5 Ook de onderdelen 3 — de onderdelen 1 en 2 bevatten geen klachten —, 6 en 8 tot en met 14 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de in die onderdelen aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 577,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Heemskerk, Hermann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 10 oktober 1997.