Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3340

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32445
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/57
BNB 1998/42
FED 1997/901
WFR 1997/1871
V-N 1997/4778, 11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 juni 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 56.498,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f. 55.618,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de

uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de jaarlijkse bijdragen die belanghebbende verschuldigd is aan een creditcardorganisatie voor het kunnen beschikken over twee creditcards kosten van geldleningen zijn in de zin van artikel 45, lid 1, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Dit oordeel wordt in het middel terecht als onjuist bestreden. De jaarlijkse bijdragen hebben het karakter van betalingen aan de creditcardorganisatie, die belanghebbende in staat stellen gebruik te maken van de diensten van deze organisatie en die verschuldigd zijn ongeacht of belanghebbende dat jaar feitelijk gebruik maakt van die diensten. Derhalve is geen sprake van kosten die rechtstreeks zijn verbonden aan het opnemen, verlengen of aflossen van een geldlening. 3.2. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de kosten, door de creditcardorganisatie aan belanghebbende in rekening gebracht terzake van opnamen van contant geld met behulp van creditcards, kosten van geldleningen zijn als hiervoor bedoeld. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat de onderwerpelijke kosten van f. 815,-- slechts strekten om de ter voorziening in belanghebbendes geldbehoeften tot meer dan f. 17.000,-- opgelopen kredieten te verkrijgen. Daarbij heeft het Hof kennelijk het oog op door de Postbank verstrekte kredieten. Aldus heeft het Hof het bij de Postbank tot uiting komende uiteindelijke gevolg van de geldopnamen - de ten laste van de creditcardorganisatie gekomen bedragen worden na verloop van tijd gedeclareerd bij de Postbank - in ogenschouw genomen. Voor het antwoord op de vraag of de opnamekosten rechtstreeks zijn verbonden aan het opnemen van een geldlening komt het echter erop aan waartoe de creditcardorganisatie de opnamekosten in rekening heeft gebracht. Hieromtrent heeft het Hof, dat kennelijk niet de beschikking had over de voorwaarden die de rechtsverhouding tussen belanghebbende, de creditcardorganisatie en de Postbank terzake van het opnemen van contant geld en eventuele kredietverlening beheersen, niets vastgesteld, zodat 's Hofs uitspraak te dezen niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel is ook in zoverre gegrond en behoeft voor het overige geen behandeling. 3.3. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, - verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en - bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het terzake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f. 150,--.

Dit arrest is op 10 december 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.