Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3317

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32228
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1998, 20902
BNB 1998/9 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 1997/862
FED 1997/808
WFR 1997/1653
V-N 1997/4331, 22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X (de Erven A) te Z en de K-Kerk te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 april 1996 betreffende de terzake van na te melden schenking voor het jaar 1984 opgelegde aanslag in het recht van schenking.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Terzake van een schenking door A aan de K-Kerk is een aanslag in het recht van schenking opgelegd naar een verkrijging van f. 8.000,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het

Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie moet, deels als door het Hof vastgesteld, deels - daarbij afgaande op de stukken van het geding - veronderstellenderwijs, worden uitgegaan van het volgende. 3.1.1. A, die in 1991 is overleden, was lid van de K-Kerk te Z (hierna: de Kerk). De Kerk telde minder dan 300 leden. A en zijn beide broers plachten jaarlijks een bijdrage aan de Kerk te voldoen. In het onderhavige jaar (1984) heeft A uit dien hoofde een bedrag van f. 13.500,-- voldaan en in de jaren 1985 tot en met 1987 respectievelijk f. 14.000,--, f. 12.000,-- en f. 10.500,--. De Inspecteur heeft van deze bedragen een bedrag overeenkomende met circa vier percent van het belastbare inkomen van A aangemerkt als strekkende tot voldoening aan een verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen, als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder 12 van de Successiewet 1956 (in de voor die jaren geldende tekst) en terzake van het meerdere schenkingsrecht geheven. Het belastbare inkomen van A bedroeg over die jaren f. 132.599,--; f. 121.219,--; f. 119.148,-- en f. 138.198,--. Hij beschikte over een aanzienlijk vermogen. 3.1.2. Anders dan voor de kerkgenootschappen die deelnemen aan de Aktie Kerkbalans bestonden binnen de Kerk, die niet aan die Aktie deelnam, noch landelijk noch plaatselijk richtlijnen voor het verstrekken van vrijwillige bijdragen. Gemiddeld werd per betalend lid van de Kerk een kerkelijke bijdrage betaald ter grootte van circa drie percent van het modale inkomen en van twee percent daarvan als de door A en zijn beide broers betaalde bijdragen buiten beschouwing worden gelaten. 3.1.3. In 1989 en in 1990 beliepen de bijdragen van de leden van de Kerk in totaal circa f 128.000,-- respectievelijk f. 124.500,--. Deze bijdragen zijn voldaan door 73 respectievelijk 74 leden. Met deze bijdragen zijn de lopende uitgaven van de Kerk gedekt. 3.2. Het geschil voor het Hof betrof vooral de vraag in hoeverre de bijdrage die A jaarlijks aan de Kerk deed, is vrijgesteld van het recht van schenking op de grond dat die bijdrage heeft gestrekt tot voldoening aan een verplichting in voormelde zin. 3.3. Van voldoening aan zodanige verplichting is sprake indien de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen of instellingen naleving van die verplichting zo dringend maken dat degene ten opzichte van wie de verplichting bestaat, de naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een hem toekomende prestatie mag beschouwen. 3.4. Het Hof heeft - met juistheid ervan uitgaande dat de leden van een kerkgenootschap krachtens een verplichting berustende op de voorschriften van moraal of fatsoen gehouden zijn om naar vermogen in de financiële behoeften van het kerkgenootschap, waarvan zij lid zijn, bij te dragen - geoordeeld dat van de bijdrage die A in 1984 aan de Kerk heeft voldaan, niet meer dan een gedeelte ter grootte van circa vier percent van zijn belastbare inkomen heeft gestrekt tot voldoening aan een verplichting als in 3.3 bedoeld. 3.5. Voor dit oordeel heeft het Hof, lettend op de richtlijn voor de aan de Aktie Kerkbalans deelnemende kerken, de bijdrage van A vergeleken met de bijdragen welke andere leden van de Kerk naar rato van hun inkomen gemiddeld hebben betaald. 3.6. Aldus heeft het Hof kennelijk alleen het inkomensaspect beslissend geoordeeld. Nu echter voor de beantwoording van de als hierboven in 3.2 vermeld voor het Hof in geschil zijnde vraag alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen, heeft het Hof een te beperkte maatstaf aangelegd door te miskennen dat naast het inkomen ook het vermogen van het betrokken lid van het kerkgenootschap van belang is en dat voorts van belang zijn de bijzondere omstandigheden van het kerkgenootschap, een en ander in onderling verband en samenhang bezien. Voor het onderhavige geval betekent dit dat ook moet worden gelet op het vermogen van A en dat zijn gehele financiële positie dient te worden meegewogen naast - en in onderling verband en samenhang met - de bijzondere omstandigheden van de Kerk zoals het kleine aantal bijdragende leden en de mate waarin de Kerk van de bijdragen van A en zijn broers afhankelijk is. In zoverre zijn de klachten gegrond. 3.7. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 3.8. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs hebben moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. Daarbij wordt uitgegaan van zes samenhangende zaken, vier ten name van belanghebbenden (nrs. 32 229, 32 230, 32 231 en de onderhavige) en twee ten name van C en de K-Kerk (nrs. 32 232 en 32 233), in welke zaken het bedrag van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal wordt vastgesteld op f. 1.065,- -, waarvan f. 710,-- aan belanghebbenden wordt toegeschat en f. 355,-- aan C en de K-Kerk.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van de gedingen in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op f 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbenden wordt vergoed het door dezen ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f. 300,--.

Dit arrest is op 5 november 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.