Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3302

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-08-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32660
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 23b (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/373
FED 1997/690
WFR 1997/1406, 1
V-N 1997/3608, 32 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 september 1996 betreffende na te melden beschikking inzake vennootschapsbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Bij beschikking van 31 juli 1995 heeft de Inspecteur de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1990 betreffende belanghebbende, ter zake van verrekening van een over het jaar 1993 geleden verlies, verminderd tot een aanslag naar een belast baar bedrag van nihil, onder vermeerdering van de belasting met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 11.195,--, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 11.195,-- uit andere boekjaren, alsmede met een vermeerdering van de belasting (hierna: WIR-temporiseringsverhoging) ten bedrage van ƒ 217.976,-- op grond van artikel 3 van de Wet van 3 juli 1991, houdende temporisering van de uitbetaling van investeringsbijdragen en beëindiging op termijn van de verrekening van die bijdragen, Stb. 1991, 356 (hierna: de Wet). Deze beschikking is op het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: De aan belanghebbende voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting werd, na verrekening van een verlies van 1992, vastgesteld naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.274.003,--. De belasting is verhoogd met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 11.195,-- alsmede met een bedrag van ƒ 217.976,-- als WIR-temporiseringsverhoging en verminderd met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 336.434,-- uit andere boekjaren. Bij de onderhavige verrekening van een verlies over het jaar 1993 is het belastbaar bedrag over het jaar 1990 nader op nihil vastgesteld. De belasting is verhoogd met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 11.195,--, alsmede met een bedrag van ƒ 217.976,-- als WIR-temporiseringsverhoging en verminderd met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 11.195,-- uit andere boekjaren.

3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de WIR-temporiseringsverhoging, welke de Inspecteur heeft berekend op ƒ 217.976,--, na verliesverrekening beperkt dient te worden tot 80% van de in aanmerking genomen investeringsbijdragen ter grootte van ƒ 11.195,--.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat ingevolge artikel 3, laatste volzin, van de Wet in het onderhavige geval van een vermindering van een aanslag op grond van verliesverrekening, de vierde volzin van gemeld wetsartikel van overeenkomstige toepassing is; dat genoemde vierde volzin uitgaat van herziene tem poriseringsbeschikkingen ingeval "een wijziging treedt welke leidt tot een wijziging van de in aanmerking te nemen investeringsbijdragen"; dat te dezen het bedrag aan investeringsbijdragen dat bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking was genomen, na de verliesverrekening deels wordt verrekend met een desinvesteringsbetaling en overigens op de voet van artikel 23b, lid 4, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in aanmerking wordt genomen als investeringsbijdrage van het jaar waarin het verlies is ontstaan; dat derhalve geen wijziging is opgetreden welke heeft geleid tot een wijziging van de in aanmerking te nemen investeringsbijdragen als hiervóór bedoeld. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het door de Inspecteur ingenomen standpunt - mede gelet op de door hem in het vertoogschrift vermelde wetsgeschiedenis - juist is, en dat daaraan de stelling van belanghebbende, dat de interpretatie van de Inspecteur tot een onredelijke wetstoepassing leidt of kan lei den, niet afdoet. Het middel richt zich tegen deze oordelen.

3.4. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de hiervóór in 3.3 genoemde bepalingen van de Wet (MvT, Kamerstukken II 1990/1991, 21 842, nr. 3, blz. 14), dient de vierde volzin van artikel 3 van die Wet aldus te worden verstaan, dat de in beginsel in artikel 23, lid 4, (oud) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voorgeschreven overbrenging van investeringsbijdragen naar 1993, niet leidt tot een herziening van de bij de vaststelling van de aanslag voor 1990 genomen temporiseringsbeschikkingen. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 27 augustus 1997 en in het openbaar uitgesproken.