Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3273

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-08-1997
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
32439
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Canberra, 17-03-1976 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/17 met annotatie van PROF. DR. A.H.M. DANIELS
FED 1997/667
WFR 1997/1361
V-N 1997/3550, 16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 maart 1996 betreffende de haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 7.667.150,--, onder ver mindering van de belasting met ƒ 114.060,-- ter zake van elders belaste winst, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar van deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft op 14 maart 1989 alle ge plaatste aandelen in een in Australië gevestigde vennootschap (hierna: de vennootschap) verworven voor een bedrag van £ 8.090.000,--. De vennootschap heeft in het onderhavige jaar dividend ten bedrage van A$ 7.500.000,-- uitgekeerd aan belanghebbende, op welk dividend 15% Australische bronbelasting (omgerekend ƒ 1.899.727,--) is ingehouden. Belanghebbende heeft het uitgekeerde dividend onder aftrek van ver meld bedrag aan bronbelasting in mindering gebracht op de boekwaarde van de aandelen in de vennootschap.

3.2. In cassatie is primair in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende ingevolge artikel 23 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten te Canberra op 17 maart 1976, zoals gewijzigd bij Protocol van 30 juni 1986 (hierna: het Verdrag) aanspraak heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van de hiervóór in 3.1 genoemde bronbelasting. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is voorts in geschil of de onderhavige bronbelasting op grond van het bepaalde in de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën < nr. 32.439- ? -

> van 13 augustus 1981, nr. 081-1454, BNB 1981/275, laatstelijk gewijzigd bij Resolutie van 23 december 1991, nr. IFZ91/333, BNB 1992/52 (hierna: de Resolutie) als kosten van onderneming kan worden aangemerkt.

3.3. Met betrekking tot de eerste vraag heeft het volgende te gelden. Artikel 23, lid 3, laatste volzin, aanhef en sub b, van het Verdrag heeft de strekking te voorkomen dat Nederland voor de in die bepaling bedoelde bestanddelen van het inkomen, welke in Australië mogen worden belast, een vermindering van belasting verleent, welke groter is dan het bedrag van de Nederlandse belasting, dat zonder een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van die bestanddelen verschuldigd zou zijn. Naar deze strekking kan - gelijk het Hof heeft beslist - een op de aandelen in een in Australië ge vestigde vennootschap uitgekeerd dividend dat op de boekwaarde van die aandelen in mindering wordt ge bracht en aldus niet tot de winst bijdraagt, niet tot een vermindering van de Nederlandse belasting leiden. De in het middel verdedigde opvatting, dat de afboeking van het dividend aan een vermindering van de belasting niet in de weg staat, kan, gelet op het vorenoverwogene, niet als juist worden aanvaard. Het betoog van het tweede middel, dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 23 december 1994, Stb. 938, tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tegemoetkoming wegens in het buitenland geheven bronbelasting op deelnemingsdividenden bij dooruitdeling) blijkt dat de wetgever - in zijn hoedanigheid van verdragspartner - in een geval als het onderhavige verrekening van buitenlandse bronheffing wenst toe te staan, kan niet als juist worden aanvaard, reeds omdat volgens de Memorie van Toelichting ingeval van meegekocht dividend - als in casu aan de orde - er geen grond is voor het verlenen van een vermindering (Kamerstukken II, 1994/1995, 23 980, nr. 3, blz. 8). Uit het vorenoverwogene volgt dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, zodat middel II faalt.

3.4. Middel I beantwoordt de tweede vraag bevestigend. Het betoogt daartoe dat - anders dan het Hof heeft beslist - krachtens de bewoordingen van de Resolutie de Australische bronbelasting als kosten van onderneming kan worden aangemerkt. Dit betoog faalt. Zo de Resolutie al van toepassing zou zijn, dan verhindert het bepaalde in artikel 13, lid 4 (oud), van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de door belanghebbende gevraagde aftrek. Middel I faalt derhalve ook.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 27 augustus 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en in het openbaar uitgesproken.