Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3261

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32654
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1997, 20865
BNB 1997/364 met annotatie van J.W. Zwemmer
WFR 1997/1448, 1
V-N 1997/3748, 21 met annotatie van Redactie
PJ 1998/9 met annotatie van J. Polman-Jager
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Ge rechtshof te Arnhem van 6 september 1996 betreffende na te melden aan X, de erven A, opgelegde aanslagen in het recht van successie.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden zijn ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van A, overleden te Q op 7 juni 1992, aanslagen in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 168.026,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uit spraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aan slagen verminderd tot aanslagen, berekend naar een verkrijging van ƒ 109.523,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uit spraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel. 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uit gegaan. Op 7 juni 1992 is erflater ten gevolge van een ongeval om het leven gekomen. Erflaters werkgeefster had voor haar medewerkers een collectieve ongevallenverzekering afgesloten. Deze ongevallenverzekering werd jaarlijks afgesloten overeenkomstig het bepaalde in het voor haar bedrijf geldende "Regelingenboek" met betrekking tot de arbeidsvoor waarden. 3.2. Het Hof heeft de tussen partijen in geschil zijnde vraag of met betrekking tot de door belangheb benden ontvangen uitkering uit de ongevallenverzekering iets aan het vermogen van de erflater is onttrok ken in de zin van artikel 13, eerste volzin, slot, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) ontkennend beantwoord op grond van het oordeel dat de Inspecteur niet waarmaakt dat de onderhavige ongevallenverzekering het gevolg was van een bij - of naar aanleiding van - de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend gemaakt beding of gedane toezegging. Tegen dit oordeel richt zich het middel. 3.3. Het Hof heeft vastgesteld dat de ongevallenverzekering stond vermeld in het "Regelingenboek", waarin de arbeidsvoorwaarden het personeel van B B.V. waren beschreven. Die vermelding hield blijkens de stukken van het geding in: "Voor medewerkers is een collectieve ongevallenverzekering van toepassing", waarna de voornaamste polisvoorwaarden van deze ver zekering werden weergegeven. Wat ook de door het Hof niet nader onderzochte betekenis van het "Regelingenboek" moge zijn, een en ander andere conclusie toe dan dat de ongevallenpolis is gesloten op grond van - ten minste - een op schrift gestelde, bij of naar aanleiding van de arbeidsovereenkomst gedane toezegging door de werkgever. In zodanig geval moet worden aangenomen dat in de zin van artikel 13 van de Wet iets aan het vermogen van de erflater is onttrokken (HR 25 mei 1960, nr 14265, BNB 1960/205). 's Hofs andersluidende oordeel is niet juist, het middel is gegrond. 3.4. Het in 3.3. overwogene brengt tevens mee dat de onderhavige uitkering loon uit een (vroegere) dienstbetrekking vormt. Gelet op hetgeen is opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling van artikel 57, lid 1, letter i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (thans artikel 57a, lid 1, letter b, van die wet) (Handelingen II, 1968-1969, 9802, blz. 623) dient bij samenloop van inkomstenbelasting en successierecht ter zake van een uitkering als de onderhavige heffing van successierecht achterwege te blijven. Nu 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding hieromtrent niets inhouden, dient verwijzing plaats te vinden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Daarbij verdient opmerking dat na te melden vernietiging zich tevens uitstrekt tot de beslissing van het Hof omtrent de proceskosten, en dat derhalve de vraag of aan belanghebbende voor deze kosten een vergoeding dient te worden toegekend, door het verwijzingshof zal moeten worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht; en - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is op 24 september 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het door de Staatssecretaris van Financiën bij het Hof betaalde bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak wordt door de Griffier van de Hoge Raad teruggegeven.