Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3258

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32567
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1997, 20868
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Ge rechtshof te 's-Gravenhage van 15 juli 1996 betreffende de ter zake van na te melden schenking opgelegde aanslag in het recht van schenking.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Ter zake van een schenking door A aan AX, BX en CX te Z zijn aan laatstgenoemden op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in het recht van schenking opgelegd ten bedrage van ƒ 1.083,--, welke aanslagen na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslagen verminderd tot nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest ge hecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbenden hebben een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij notariële akte, verleden op 18 december 1991, heeft A het door haar bewoonde woonhuis onder voorbehoud van het zakelijk recht van gebruik en bewoning verkocht aan belanghebbenden, haar kinderen. Over de koopsom ad ƒ 295.200,-- is 6 percent overdrachtsbelasting voldaan. De akte vermeldt dat van de koopsom een bedrag van ƒ 261.450,-- bij wijze van schenking wordt kwijtgescholden. Deze schenking is aan elk der belanghebbenden voor een derde (ƒ 87.150,--) ten deel gevallen. Verkoop en kwijt schelding vormen een als een geheel aan te merken samenstel naar rechtshandelingen. 3.2. In cassatie gaat het, evenals voor het Hof, om de beantwoording van de vraag in hoeverre bij de berekening van het verschuldigde recht van schenking rekening moet worden gehouden met de over de koopsom voldane overdrachtsbelasting. Het Hof heeft geoordeeld dat ingevolge artikel 24, lid 3, in verbinding met artikel 33, lid 2, van de Successiewet 1956, hierna: de Wet, over het gehele bedrag van de verkrijgingen, dat wil zeggen: ook over de vrijgestelde bedragen van ƒ 6.795,--, recht van schenking verschuldigd is tegen het tarief van de overdrachtsbelasting en dat, nu de overdrachtsbelasting reeds is voldaan, op grond van artikel 24, lid 5, van de Wet geen schenkingsrecht meer behoeft te worden voldaan. Hiertegen richt zich terecht het middel. 3.3. De verkoop van het huis en de daarop ge volgde gedeeltelijke kwijtschelding vormen weliswaar een als een geheel aan te merken samenstel van rechtshandelingen, maar in tegenstelling tot hetgeen het Hof heeft geoordeeld, levert dat geheel niet een

schenking in de zin van artikel 24, lid 3 of artikel 33, lid 2, van de Wet op, zodat die bepalingen hier reeds om deze reden niet van toepassing zijn. Wel van toepassing is artikel 24, lid 5, van de Wet. Nu van de ƒ 87.150,-- bedragende verkrijgingen ƒ 6.795,-- is vrijgesteld van het recht van schenking, strekt ingevolge deze bepaling de over ƒ 80.355,-- voldane overdrachtsbelasting, zijnde ƒ 4.821,--, in mindering op het ƒ 5.904,-- bedragende schenkingsrecht over ƒ 80.355,--. Dit leidt ertoe dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en dat de uitspraak van de Inspecteur dient te worden bevestigd.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en - bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is op 24 september 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Door de Griffier van de Hoge Raad wordt aan de Staatssecretaris van Financiën terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.