Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3224

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31308
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 5, geldigheid: 1997-01-08
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11, geldigheid: 1997-01-08
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13 (oud), geldigheid: 1997-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/81
FED 1997/746
FED 1997/43
WFR 1997/83
V-N 1997/551, 5
NV 1997, 21

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z (Nederlandse Antillen), voorheen te Q, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 mei 1995 betreffende de haar voor het boekjaar 1988/1989 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1988/1989 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.890.897,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehand- haafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft beves- tigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar- van deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr L.F. van Kalmthout, advocaat te Rotterdam.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende, een op 22 april 1976 naar Nederlands recht opgerichte vennootschap, was tot 20 april 1989 gevestigd in Nederland. Met ingang van laatstgenoemde datum was zij feitelijk gevestigd op Z (Nederlandse Antillen).

3.1.2. Het boekjaar van belanghebbende loopt van 1 juli tot en met 30 juni.

3.1.3. In het onderhavige boekjaar bezat belang- hebbende alle aandelen in A B.V., welke vennootschap tot 1 januari 1989 een beleggingsinstelling was, als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de ven- nootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).

3.1.4. Doordat belanghebbende op 20 april 1989 ophield uit haar onderneming binnen het Rijk belastbare winst te genieten, diende zij voor de bepaling van haar winst voor het boekjaar 1988/1989 haar deelneming in A B.V. te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De hierbij behaalde boekwinst bedroeg ƒ 1.421.363,--, waarvan ƒ 1.382.635,-- kan worden toegerekend aan de periode vóór 1 januari 1989.

3.1.5. In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het onderhavige boekjaar heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat voormelde herwaarderingswinst een vrijgesteld voordeel vormt als bedoeld in artikel 13, lid 1 (tekst 1989), van de Wet. De Inspecteur stelde zich daarentegen op het standpunt dat de in de jurisprudentie ontwikkelde "compartimenteringsleer" meebrengt, dat van de waarderingswinst een bedrag van ƒ 1.382.635,--, niet onder de deelnemingsvrijstelling valt.

3.1.6. Voor de indiening van het aangiftebiljet voor het boekjaar 1988/1989, dat uiterlijk op 31 mei 1990 diende te worden ingeleverd, heeft de Inspecteur 7 maanden uitstel verleend.

3.1.7. Het aangiftebiljet, gedateerd 19 maart 1990 en ondertekend door "Managing Director N.V. D", is ter inspectie ontvangen op 10 mei 1990.

3.1.8. Het onderhavige aanslagbiljet is met dagtekening 30 januari 1993 verzonden aan het adres op Z, dat belanghebbendes gemachtigde bij brief van 23 mei 1989 aan de Inspecteur als adres van de directie van belanghebbende, B N.V., had opgegeven.

3.1.9. Het aanslagbiljet is door belanghebbende ontvangen na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3.1.10. De directie van belanghebbende was met ingang van 20 april 1989 tot 21 december 1989 gevoerd door B N.V. Met ingang van laatstgenoemde datum is D N.V., te Z, bestuurder van belanghebbende.

3.2. Voor het Hof was in geschil het antwoord op de vragen of de litigieuze aanslag is opgelegd vóór het verstrijken van de in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, en voorts of het bedrag van ƒ 1.382.635,-- ter zake van de onderhavige herwaarderingswinst een vrijgesteld voordeel vormt als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet.

3.3. Het Hof heeft de eerste vraag bevestigend beantwoord. Het heeft daartoe overwogen dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet, waarbij de onderhavige aanslag ter kennis van belanghebbende is gebracht, op 29 januari 1993 ter post is bezorgd. De omstandigheid <> dat het aanslagbiljet belanghebbendes bestuurder pas in een laat stadium heeft bereikt doet - aldus het Hof - hieraan niet af, nu deze omstandigheid in een geval als het on- derhavige, waarin de geadresseerde is gevestigd op de Nederlandse Antillen en waarin het adres bovendien inmiddels was gewijzigd, geen aanwijzing oplevert met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging van het aanslagbiljet.

3.4. Het Hof heeft, gelet op de hiervóór in 3.3. vermelde oordelen, kennelijk aangenomen dat de adres- wijziging van belanghebbende een vertragende factor is geweest bij de ontvangst door belanghebbende van het aanslagbiljet. Te dezer zake heeft belanghebbende voor het Hof echter gesteld, en - voor het geval dat het Hof zou twijfelen aan de juistheid van haar stelling - aangeboden door middel van getuigen bewijs te leveren, dat de oude directie van belanghebbende - B N.V. - het aanslagbiljet eerst op 18 mei 1993 heeft ontvangen en dat deze vervolgens het stuk op diezelfde dag heeft bezorgd bij D N.V., de nieuwe bestuurder van belanghebbende. Indien deze stelling van belanghebbende juist is, heeft de adreswijziging geen invloed gehad op de ontvangstdatum, en ontvalt één der grondslagen aan 's Hofs oordeel dat het aanslagbiljet op 29 januari 1993 ter post is bezorgd. Hieruit volgt dat het Hof voormeld aanbod tot getuigenbewijs zonder nadere motivering niet had mogen passeren. Het eerste middel treft dus doel.

3.5. De tweede vraag is door het Hof ontkennend beantwoord. Daartegen keert zich middel II, evenwel tevergeefs. Het gaat hier immers om een voordeel dat is ontstaan in een tijdvak waarin weliswaar sprake was van een deelnemingsverhouding, maar waarin de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was omdat de deelneming een beleggingsinstelling betrof. De in het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 1991, BNB 1991/268, weergegeven gedachtengang is ook van toepassing op voordelen uit hoofde van een deelneming, die, zoals de onderwerpelijke herwaarderingswinst ten bedrage van ƒ 1.382.635,--, in evenbedoeld tijdvak zijn ontstaan en niet op andere wijze in een belasting naar de winst kunnen worden betrokken. Daaraan doet niet af dat de wetgever in artikel 13, lid 2, tweede en derde volzin, slechts voor uitdelingen uitdrukkelijk een overgangsregeling heeft getroffen, daar deze regeling, gelet op het stelsel van de wet, niet ertoe strekt boekwinsten als de onderhavige van belastingheffing uit te sluiten.

3.6. Uit het hiervóór in 3.4 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financin aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 5.680,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de raadsheer Van der Linde.