Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3219

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-07-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30193L
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1997/583
BNB 1997/387 met annotatie van M.E. van Hilten
WFR 1997/1061
V-N 1997/2760, 23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de commanditaire vennootschap X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 maart 1994 betreffende de haar over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 1 maart 1991 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Loop van het geding Voor een overzicht van de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 15 maart 1995, BNB 1996/243, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële uitspraak te doen over in dat arrest geformuleerde vragen. Bij arrest van 6 februari 1997 heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen voor recht verklaard: 'Artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.'

2. Nadere beoordeling van de middelen van cassatie Voorzover de middelen zich keren tegen ‘s Hofs oordeel dat het enkele verwerven en het enkele houden van obligaties niet is aan te merken als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde Richtlijn en dat met name evenbedoelde activiteit niet is aan te merken als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, falen zij gezien de hiervóór onder 1 weergegeven verklaring voor recht. Op dezelfde grond kunnen de middelen voorzover zij zich richten tegen 's Hofs oordeel dat het verwerven van obligaties naar maatschappelijke opvattingen niet kan worden aangemerkt als het verstrekken van krediet, evenmin tot cassatie leiden. Het vorenoverwogene brengt mee dat, anders dan de middelen stellen, belanghebbende in de onderwerpelijke periode op grond van het geheel van haar activiteiten niet is aan te merken als belastingplichtige in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde Richtlijn of als ondernemer in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Aan de omstandigheid dat belanghebbende vóór en na het naheffingstijdvak een rentedragende vordering bezat, kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat zij gedurende het naheffingstijdvak ondernemer was. Zij kan derhalve geen aanspraak maken op teruggaaf van de haar in rekening gebrachte omzetbelasting.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 15 juli 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.