Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA3204

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31696
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 8, geldigheid: 1997-01-08
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 10, geldigheid: 1997-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1997/103
BNB 1997/82
FED 1997/51
WFR 1997/86
V-N 1997/486, 18

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-11-BB een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 1 februari 1993 tot en met 15 mei 1993, ten bedrage van ƒ 1.519,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 1.519,-- aan verhoging. Belanghebbende is tegen deze aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, (tekst vóór 1994) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof, dat de naheffingsaanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 1.519,--, zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep ten dele bestreden en ten dele gegrond geacht.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende heeft vóór 16 februari 1993 ƒ 2.215,-- als voor het onderhavige motorrijtuig over het tijdvak 1 april 1993 tot en met 31 december 1993 verschuldigde motorrijtuigenbelasting op aangifte voldaan. Genoemd bedrag is tezamen met het eerder op aangifte over het eerste kwartaal van 1993 betaalde bedrag gelijk aan het voor een motorrijtuig als het onderhavige, vrachtauto (gewicht 9.100 kg, brandstof dieselolie) met aanhanger (gewicht 8.000 kg), over het tijdvak van een jaar verschuldigde belasting naar het op 1 januari 1993 geldende tarief.

3.1.2. Het voor motorrijtuigen als het onderhavige geldende tarief is met ingang van 16 februari 1993 verhoogd.

3.2. Voor het Hof was - voor zover te dezen van belang - tussen partijen in geschil of de hiervóór vermelde betalingen tezamen genomen konden gelden als voldoening op aangifte van de belasting, die is verschuldigd over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1993 naar het op 1 januari 1993 geldende tarief.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende de over het tijdvak van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1993 verschuldigde belasting op rechtsgeldige wijze op aangifte heeft voldaan. In zoverre de middelen tegen dit oordeel opkomen, falen zij op de gronden als vermeld in het heden op het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 10 november 1995 betreffende het bedrag dat door haar als motorrijtuigenbelasting op aangifte is voldaan over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 maart 1993, onder nr. 31.697 gewezen arrest.

3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, nu belanghebbende evenmin de over het tijdvak 1 april 1993 tot en met 30 juni 1993 verschuldigde belasting op aangifte heeft voldaan, de onderhavige naheffingsaanslag voor wat betreft de enkelvoudige belasting terecht is vastgesteld. Voorzover de middelen opkomen tegen dit oordeel, worden zij terecht voorgesteld. De hiervóór in 3.1 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat het Hof heeft miskend dat belanghebbende met de betaling van het bedrag van ƒ 2.215, -- heeft beoogd mede de over het onderhavige tijdvak verschuldigde belasting te voldoen, zij het naar het op 1 januari 1993 geldende tarief in plaats van naar het met ingang van 16 februari 1993 geldende tarief.

3.5. 's Hofs uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De betaling van ƒ 2.215,-- dient voor 1/6 deel, of wel ƒ 369,--, te worden toegerekend aan het onderhavige tijdvak van anderhalve maand, waarvoor naar het voor dit tijdvak geldende tarief ƒ 652,-- verschuldigd is. De naheffingsaanslag moet derhalve worden verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 283,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de kwijtschelding van de verhoging, de proceskosten en het griffierecht, vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag ten bedrage van ƒ 283,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Heesakkers, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de raadsheer Bellaart.