Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2253

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-08-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32346
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1998/34 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 1997/629
FED 1997/710
WFR 1997/1275
V-N 1997/3149, 10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 mei 1996 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.448.969,--, geheel belast naar het bijzondere tarief van (destijds) artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.427.270,--, geheel belast naar het bijzondere tarief van (destijds) artikel 57, lid 2, van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan - kort samengevat - van het volgende worden uitgegaan. De aandelen in E BV werden aanvankelijk gehouden door vier aandeelhouders: H, F, G en belanghebbende. In 1983 trad H uit. Hij verkocht zijn aandelen E BV aan J BV, een door de drie andere aandeelhouders opgerichte zogenaamde procuratiehouder-BV. In 1989 trad F uit. Hij verkocht zijn aandelen E BV aan L BV, een door G en belanghebbende opgerichte procuratiehouder-BV. Na de inkoop door E BV van de in het bezit van J BV zijnde eigen aandelen, werden de aandelen J BV verkocht aan een bank. 3.2. Het eerste middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de in 's Hofs uitspraak nader omschreven in 1983, 1984 en 1989 verrichte rechtshandelingen een samenstel vormen en dat belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het verrichten van die rechtshandelingen. Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feitelijke omstandigheden. Het behoefde geen nadere motivering en het is ook niet onbegrijpelijk. Het eerste middel faalt derhalve. 3.3. Bij zijn oordeel dat de extra onttrekking van 4,5 à 5 miljoen gulden aan het vermogen van E BV slechts het aandeelhoudersbelang diende, is het Hof, kennelijk, veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van de stellingen van belanghebbende dat die onttrekking gelet op de continuïteit van de

onderneming zakelijk verantwoord was en dat ingeval de door de Inspecteur aangegeven weg zou worden gevolgd L BV het te allen tijde in haar macht zou hebben gehad bedoeld bedrag uit de winstreserves van E BV te doen uitkeren. Het tweede middel, dat erover klaagt dat het Hof deze stellingen van belanghebbende zonder nadere motivering heeft verworpen, mist dan ook feitelijke grondslag. Het tweede middel faalt derhalve. 3.4. Het derde middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn situatie vergelijkbaar is met een geval waarin de Inspecteur niet was overgegaan tot toepassing van artikel 24 van de Wet. Dit oordeel, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en behoefde geen nadere motivering dan daarvoor door het Hof is gegeven. Voorzover het middel zich richt tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn nadeel is afgeweken van een begunstigend beleid kan het middel niet tot cassatie leiden, nu 's Hofs conclusie dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden door het eerstgenoemde oordeel wordt gedragen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 augustus 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers, Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.