Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2250

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-08-1997
Datum publicatie
14-01-2003
Zaaknummer
32262
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de dividendbelasting 1965 5
Wet op de dividendbelasting 1965 6
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10
Belastingregeling voor het Koninkrijk 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/346 met annotatie van J.A.G. van der Geld
FED 1997/626
FED 1997/818
WFR 1997/1273, 1
V-N 1997/3120, 6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 april 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de dividendbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1989 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 457.774,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 222.154,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, de aanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 396.092,-- aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van de nageheven belasting van 10 percent. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: B N.V., gevestigd op de Nederlandse Antillen, is sinds 30 juni 1985 de enige aandeelhouder van belang hebbende. In 1985 heeft belanghebbende uit eigen middelen ƒ 1.146.655,-- (tegenwaarde £ 250.000,--) verstrekt aan D (UK) Ltd. In 1985, 1986 en 1987 heeft belang hebbende in totaal van B N.V. geleend £ 2.605.231,--, welk bedrag in dezelfde valuta weer is uitgeleend aan D (UK) Ltd. Hoewel D (UK) Ltd een rente van 18% aan belang hebbende zou zijn verschuldigd en belanghebbende in haar boekhouding is uitgegaan van een aan B N.V. verschuldigde rente van 17 7/8%, heeft zij nimmer rente ontvangen van D (UK) Ltd of betaald aan B N.V.; ter zake van deze rente is wel een vordering respectievelijk een schuld in de boeken van belanghebbende opgenomen. D (UK) Ltd leende de van belanghebbende ontvangen bedragen (ten dele) uit aan K Ltd, welke vennoot schap zich bezig hield met onroerendezaak projecten in Engeland. Een bedrag van £ 110.000,-- is doorgeleend aan M Ltd. Belanghebbende heeft haar activiteiten per 1 januari 1989 beëindigd. D (UK) Ltd is op 12 augustus 1989 geliquideerd.

Bij overeenkomst van 1 mei 1989 zijn met ingang van 1 januari 1989 de vorderingen op K Ltd overgenomen door B N.V.

3.2. De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat B N.V. door deze overeenkomst de vordering van belanghebbende op D (UK) Ltd, ten bedrage van ƒ 15.249.463,--, verkrijgt onder kwijtschelding van de schuld van belanghebbende aan B N.V., ten bedrage van ƒ 13.916.539,-- en belanghebbende door deze vereffening voor een bedrag van ƒ 1.332.924,-- wordt benadeeld. Voor het onderhavige jaar heeft de Inspecteur - zoals gespecificeerd in 2.23 van 's Hofs uitspraak - een uitdeling van winst ten bedrage van ƒ 1.373.322,-- in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat ingevolge deze overeenkomst een bedrag van ƒ 1.332.924,-- ten laste van haar resultaat kan worden gebracht.

3.3. Ten aanzien van de aan D (UK) Ltd uit eigen middelen verstrekte geldlening (in guldens) heeft het Hof aannemelijk geacht dat deze is verstrekt ter wille van de aandeelhouder en ter financiering van de koopsom van de aandelen in belanghebbende en geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat voor deze vordering zekerheden zijn bedongen. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. In zoverre middel I zich tegen dit oordeel richt, faalt het derhalve. 3.4. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat verliezen op een onder dergelijke omstandigheden verstrekte geldlening in het algemeen niet ten laste van het fiscale resultaat kunnen worden gebracht, daar als regel moet worden aangenomen dat het debiteurenrisico bewust ten behoeve van de aandeelhouder is aanvaard, en dat het onvoldoende aanleiding heeft gezien om in dit geval anders te oordelen, waarmee het Hof kennelijk bedoelt dat het aannemelijk acht dat tussen belanghebbende en B N.V. is overeengekomen dat B N.V. dit risico zal dragen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Anders dan in onderdeel B van middel I wordt verondersteld, laten 's Hofs overwegingen geen ruimte voor het oordeel dat de geldverstrekking door belang hebbende aan D (UK) Ltd als een informele kapitaalver strekking in dit lichaam moet worden beschouwd.

3.5. Uitgaande van de aangifte vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar heeft het Hof geoordeeld dat de per 1 januari 1989 aanwezige reserves ƒ 1.118.276,-- bedragen en dat deze op grond van de overeenkomst van 1 mei 1989 geheel zijn uitgekeerd aan B N.V. Dit oordeel kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Anders dan onderdeel C van middel I betoogt, diende het Hof zijn oordeel ten aanzien van de voor uitdeling beschikbare winst niet nader te motiveren.

3.6. Gelet op hetgeen hiervóór in 3.4 en 3.5 is overwogen, faalt middel I ook voor het overige. Op grond van het hiervóór in 3.5 gegeven oordeel faalt middel II, waarin wordt betoogd dat de winstuitdeling in 1985 heeft plaatsgevonden, even eens.

3.7. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur het tarief van de dividendbelasting voorshands terecht heeft gesteld op 25%. Dit oordeel is juist. Middel II, dat zich tegen dit oordeel richt met het betoog dat, nu belanghebbende zich in haar beroepschrift heeft beroepen op een tariefstoepassing van 7,5% uit hoofde van het bepaalde in artikel 11, lid 3, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, het Hof in het onderhavige geval ofwel zelf had moe ten overgaan tot toepassing van dit tarief ofwel belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen om alsnog aan de uitvoeringsvoorschriften ter zake te voldoen, faalt derhalve. Opmerking verdient dat belanghebbendes aandeelhoudster overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van de Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk teruggaaf van belasting kan verzoeken binnen een tijd vak van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 augustus 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.