Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2247

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-08-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32012
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/345
FED 1997/625
FED 1997/712
WFR 1997/1272, 1
V-N 1997/3169, 18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 december 1995 betreffende de haar voor het aar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 88.638,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uit spraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar van deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die in dienstbetrekking werkzaam is, woonde in Q minder dan 10 kilometer van haar arbeidsplaats. Zij is - tezamen met haar echtgenoot - op 1 mei 1990 verhuisd naar Z en woonde, nadat haar werkgeefster in december 1990 ook naar Z was verhuisd, 3,4 kilometer van haar nieuwe arbeidsplaats. De nieuwe arbeidsplaats ligt ten opzichte van de oude woning binnen een straal van 10 kilometer. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het criterium "binnen een afstand van 10 kilometer" zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1993, nr. 28 774, BNB 1993/98, dient te worden uitgelegd als "binnen een straal van 10 kilometer". Dit oordeel is niet juist. Onder "afstand" dient in dit verband te worden verstaan de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de arbeidsplaats gemeten langs de weg die wordt gevolgd door het merendeel van de belastingplichtigen bij gebruik van eenzelfde soort vervoermiddel als het in feite door de betrokken belastingplichtige gebruikte vervoermiddel. Voor het onderhavige geval, waarin als afstand vóór de verhuizing heeft te gelden de afstand tussen de oude woning en de nieuwe arbeidsplaats, betekent dit dat beslissend is de afstand over de weg die zou worden gevolgd door het merendeel van de belastingplichtigen bij gebruik van eenzelfde soort vervoermiddel als dat waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit door de belanghebbende zou zijn gebruikt om heen en weer te reizen tussen de oude woning en de nieuwe arbeidsplaats. In zoverre slaagt het middel. 3.3. Uit het in 3.2. overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Nu tussen partijen in geschil is welk soort vervoermiddel moet worden aangemerkt als het vervoermiddel dat door belanghebbende zou zijn gebruikt om heen en weer te reizen tussen de oude woning en de nieuwe arbeidsplaats, alsmede welke de afstand is tussen de oude woning en de nieuwe arbeidsplaats gemeten langs de weg die door het merendeel van de belastingplichtigen bij gebruik van dat soort vervoermiddel zou worden gevolgd, moet verwijzing volgen. Indien omtrent het soort vervoermiddel geen duidelijkheid kan worden verkregen dient te worden uitgegaan van het gebruik van openbaar vervoer.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof; - verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.

Dit arrest is op 29 augustus 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.